|
van Donatella
|
Een kwart eeuw bits en bytesDe enige roeping die ik in mijn leven had was dokter worden. En als ik er nu over nadenk waarschijnlijk ook moeder worden. Maar na het eerste jaar geneeskunde in tweeëneenhalf jaar voltooid te hebben en ook het tweede jaar niet gehaald te hebben, hield het voor mij op. Ik bleek niet zo goed uit mijn hoofd te kunnen leren en ik was genoodzaakt iets anders te zoeken. Misschien was ik in die tijd ook wel bezig met volwassen worden, wie zal het zeggen? Ik behoorde tot de laatste lichting HBS-b. Het jaar na mij begon de Mammoetwet. In principe lag de wereld voor mij open, maar van studeren had ik even genoeg. Toch viel het nog tegen wat er aan werk te krijgen was. Uit principe wilde ik geen artsenbezoeker worden, omdat ik zelf tegen het gebruik van pillen was. En een baan als secretaresse leek me ook niets, in die tijd dacht ik dat je daarvoor erg ordelijk moest zijn en keurige kleding moest dragen. Mijn vader bracht me op het idee om de automatisering in te gaan. Hij was chef operator bij de PCGD, die we nu beter kennen als de Postbank. Ik leerde van hem ooit tellen in het binaire stelsel. En toen lag er opeens die advertentie van de Bankgirocentrale in Amsterdam, voor een opleiding tot programmeur. Er ging een intelligentietest aan vooraf, en een persoonlijk gesprek. In die tijd reed ik motor en ik weet nog dat ik bedenkingen had om op het persoonlijke gesprek te verschijnen in een lange broek. Ik vond dat ze me maar moesten nemen zoals ik was, en ik verscheen in een rood broekpak. Het was mijn eerste echte sollicitatie. Die verliep voorspoedig en ik kon 1 oktober
1977 beginnen. Ik wist bij het ondertekenen van het contract niet dat mijn leven eind september zo drastisch zou veranderen. Ik ging bij mijn oma in de wijk Geuzenveld wonen. Ze had voor mij een tuinkamer over. Ook in die tijd was het vinden van een kamer in Amsterdam, met een plekje voor mijn motor, niet gemakkelijk. Omdat de Bankgirocentrale met andermans geld omging, zouden we in het tweede jaar al nachtdiensten moeten draaien om problemen op te lossen, die zich onverhoopt zouden voordoen. Het eerste jaar bestond uit een half jaar theorie en een half jaar praktijk. Omdat je gewoon salaris kreeg, moest je nog twee jaar blijven werken. Als je een programma moest schrijven, dan kreeg je een map vol documentatie, ontworpen en geschreven door een systeemontwerper. Begreep je het niet, dan kon je direct contact opnemen met de betreffende ontwerper. Na de drie jaar opleiding kon je dan doorstromen naar de volgende stap in je carrière, systeemontwerper en systeemanalist. Deze groepen zaten een etage hoger, en ook daar was maar één meisje tussen. Samen met een andere nieuweling Bob Portier werd ik toegewezen aan een mentor. We zaten met nog twee collega’s op een grote kamer. Je had naast nauwkeurigheid en een hoop inspiratie alleen een potlood en een gum nodig om te werken. Op grote witte tafels zaten we met de afgedrukte programma’s voor ons te werken. In die tijd schreef je met potlood het programma uit op een A4 vol ruitjes. Elk karakter kwam in een eigen hokje. Ook de punten waren belangrijk. Eigenlijk zou je ook het regelnummer moeten invullen, maar niemand deed dat. De blaadjes werden aangeboden aan het tikteam, de ponspoezen genaamd en die bestond waarschijnlijk alleen uit dames. Ik heb ze nooit gezien. Je kreeg dan een stapel ponskaarten terug. Elke regel had een eigen ponskaart met tachtig karakters. Je leerde op die manier wel netjes schrijven. Ook spaties hadden een eigen teken, een soort b met een streepje erdoor. De nul kreeg een streepje, als herkenning ten opzichte van de letter o. Al gauw had ik in de gaten dat de liefde me naar Limburg trok, en dat ik stappen moest ondernemen om van mijn contract af te komen. Omdat mijn vriend de weg in de wetten kende, kwamen we erachter dat artikel 83 van het Burgerlijk Wetboek bij ons van toepassing zou kunnen zijn. Nu zijn de wetten veranderd, maar vijfentwintig jaar geleden had de man het laatste woord als (toekomstig) man en vrouw het niet eens konden worden over de woonplaats. We zijn getrouwd en ik ben weggegaan uit Amsterdam precies een jaar nadat ik gekomen was, en ik hoefde niets terug te betalen. Ik geloof dat ik het voor vrouwen minder gemakkelijk heb gemaakt om te gaan werken bij de Bankgirocentrale. Zo vrij en open het was geweest in Amsterdam, zo gesloten en moeilijk ging het in Venlo. Ik had echt het idee dat ik als werkende vrouw vijftig jaar terug in de tijd werd gezet. Dat kwam des te pijnlijker naar boven toen ik zwanger van onze eerste aankondigde dat ik na het zwangerschapsverlof weer ging werken. Het was helemaal niet gebruikelijk dat moeders gingen werken, zeiden ze. En parttime werken was al helemaal niet mogelijk.Maar ik had mijn keuze gemaakt, ik wilde blijven werken. Om dagen te sparen bleef ik zo lang mogelijk doorwerken. Op de dag dat ik uitgeteld was, heb ik nog een programma verbeterd. Dat heb ik thuis gedaan met een computer en een cassettebandje. Inmiddels had ik hoogzwanger mijn autorijbewijs gehaald. Er was voordat ik met verlof ging de afspraak gemaakt dat ik operatortaken erbij zou krijgen. Omdat ik in die tijd niet erg assertief was, had ik toegestemd. Maar halve dagen werken was bij Frans Maas een nog nooit vertoond kunstje. Het ging absoluut niet. Toen onze dochter drie maanden was, ben ik weer gaan werken. Hele dagen waren het, de zwaarste dagen ooit. Ik wist dat ik het recht had om mijn kind te zogen, en dat gebeurde twee keer per dag. Echt gemakkelijk was het niet. Na die week kon ik opeens wel halve dagen werken. Het werd wel werken op de tweede helft van de dag. Ik maakte ’s avonds dan een back-up en was dan rond half 7 klaar. Omdat de crèche maar tot zes uur open was, vond ik een leidster bereid om Susanne mee te nemen naar haar eigen huis. Toen Susanne anderhalf was vond ik het tijd voor salarisverhoging. Dat gesprek liep uit op een huilbui en voor mij was de maat vol. Ik ging weer solliciteren. Vanaf 1 juni 1983 ben ik bij de Open Universiteit gaan werken. In die tijd stonden er 8 auto’s geparkeerd, en werkten er 80 mensen. De afdeling waar ik terecht kwam heette toen Organisatie en Informatie (O&I). Er moest een geheel nieuw systeem gebouwd worden. Er stonden alleen terminals die verbonden waren met een computer elders, die gehuurd was. Uiteraard ging ik eerst op cursus om de taal Adabas Natural te leren. Ik had wel collega’s, maar die waren allemaal ingehuurd via Pandata. Ik heb onder andere het allereerste invoerscherm gemaakt om studenten in te schrijven. Het was behelpen in die tijd, vooral toen ik een etikettenprogramma moest schrijven om de allereerste zendingen naar de studenten te doen. Ik moest ineens verstand krijgen van de werking van een matrixprinter. Toen het hele eerste systeem opgeleverd was, kreeg ik een ander project. Op een CP/M computer, de voorloper van de IBM PC met DOS mocht ik een personeels informatiesysteem schrijven met behulp van dBase 2. Dat draaide indertijd bij Personeelszaken op een draagbare Kaypro met een piepklein schermpje en een toetsenbord dat meteen de afsluiting van de computer was. De computer had twee 5 ¼ inch diskettestations. Ik weet wel dat het toenmalige hoofd het gepresteerd had om de dag dat ik mijn nieuwe programma getoond had het systeem onbruikbaar te maken door de sluiting van het diskettestation de verkeerde kant op te draaien. Een jaar later heb ik hetzelfde systeem omgezet naar dBase 3 voor Dos. Uiteraard mocht ik eerst op cursus. Ook heb ik nog een klus gedaan met de taal Fortran, die ik zelf de onder knie moest krijgen. Om de grote stroom sollicitanten voor de studiecentra te kunnen stroomlijnen, moest ik lijsten sorteren op de Vax, het mainframe van die tijd. Toen werd ik gevraagd om te werken bij de afdeling COP om multimediaprogramma’s te maken. Mijn eerste programma’s schreef ik in de talen Tencore en Turbo Pascal 4. Op cursus gaan deed ik al een tijd niet meer. Met de zorg voor drie kleine kinderen was het niet eenvoudig om jezelf ook nog professioneler te maken. De toenmalige voorzitter van het College van Bestuur Leibbrandt vond het prachtig wat wij met ons kleine team maakte, en wipte graag even binnen. Soms nam hij meteen wat buitenlandse gasten mee. Ik weet nog dat ik mijn eerste programma met muisbesturing maakte. Revolutionair! Dit soort ideeën konden we gewoon uitproberen. Als Harrie iets verzonnen had dan wilden we dat allemaal wel gebruiken. Het was allemaal mogelijk in die hoekkamer in gebouw Milton Keynes. De computers die we gebruikten werden sneller en sneller. De eerste computer, die studenten van de Open Universiteit zouden gebruiken was een IBM XT met twee 5 ¼ inch diskettestations. Later kwam er een computer met een 20 Mb harde schijf en een 3 ½ inch diskettestation, met een videokaart die naast computerbeeld ook televisiebeeld kon tonen. Voor ons, de ontwikkelaars waren snelle, betrouwbare computers wel een noodzaak. We hebben er talloze versleten, ieder merk met zijn eigen voor- en nadelen. Eigenlijk volgden we de trend voor steeds snellere machines. Als groep wilden we ook altijd net iets betere dan collega’s om ons heen. In die begintijd van de PC heb ik heel veel geleerd. Ik herinner me nog de eerste keer dat ik met de muis rond klikte in het nieuwe besturingssysteem Windows. Ook de eerste stappen op internet met het programma Mosaic herinner ik me nog. Sindsdien is er veel veranderd met het gebruik van computers. Ook programmeren onderging een verandering. Het werd omvangrijker en in mijn ogen ingewikkelder. Er moest met zoveel meer rekening gehouden worden, dat ik het gevoel had dat alles een beetje boven mijn hoofd groeide. Wat bleef was de uitdaging om van een idee, een geschreven A4tje of als je pech had van een uitgebreid ontwerp een werkend programma te maken. Wat ook bleef was het zoeken naar oplossingen voor onverklaarbare fouten. Het was vaak werken tegen deadlines in, soms zelfs overwerken om alles op tijd af te krijgen. Heldere ingevingen wisselden elkaar af met eentonige testsessies. Soms duurde het ontwikkelen van een programma meer dan een jaar, en dan was ik blij dat ik weer aan iets nieuws kon beginnen. Een van de projecten waar ik met plezier aan gewerkt heb was Visuele Kunsten. Uiteindelijk heeft het project het na tien jaar niet gehaald. Op zo’n moment ga ik bij mezelf bezinnen waar ik nou mee bezig ben. Misschien is toen al het zaadje van verandering gaan ontkiemen. Programmeren is voor mij een creatief vak, en ik kan eerlijk zeggen dat ik toch wel een beetje verslaafd ben aan de computer. Maar ik merk dat het me steeds meer moeite kost om iets te maken. De voldoening van een werkend deel of geheel van een programma blijft, maar de weg er naar toe lijkt steeds langer. Het is nog steeds een prestatie van een team en dat vind ik heel belangrijk. Het is ook steeds minder programmeren geworden, er is meer ruimte voor ontwerp en meedenken. Als er nu een product wordt opgeleverd, dan heb je vele facetten van de automatisering doorlopen, van de hardware via de software naar de verpakking. Ik kan terugkijken op vijfentwintig jaar werken tussen computers en met mensen. Een periode van wisselend plezier en inspanning. Ik heb geprogrammeerd en ben bij ontwerpen betrokken geweest. Ik heb les gegeven en websites gemaakt. In de loop der jaren Een kwart eeuw lijkt lang, maar het werken in de automatisering is zo afwisselend geweest en constant aan verandering onderhevig, dat het ongemerkt voorbij is gegaan. Gelukkig heb ik altijd de balans mogen ervaren tussen mijn werk en mijn gezin. Sommige belangrijke mijlpalen zijn gekoppeld aan geboortes en leeftijden van mijn kinderen. Hoewel de oudste altijd zei dat ze zoiets als mij wilde worden, heeft ze waarschijnlijk onbewust mijn mislukte studie geneeskunde op het oog gehad. Ze zit nu in het vierde jaar. Patricia Coors, 29 september 2002
|
Patricia Coors werk of privé |