|
start
verhalen
van Patricia
oma Ger
oma Nonnon
honden
terugblik, een
liefdesverhaal
Porsche
Gedeelde
aandacht
Agosto
kwart eeuw bits
en bytes
pen en papier
eclips 1999
nieuwe computer
van Donatella
Nonna Gina
Nonno Salvatore
La signora
olandese
zoeken
|
Nonno Salvatore
Nederlands
Italiano
Nonno Salvatore had in zijn leven twee grote passies: “vernaccia” en vrouwen.
Twee dagen voordat hij deze aarde verliet, die voor hem geen tranendal was geweest, maar een plek vol genoegen, schitterden zijn ogen nog één keer. En voor de laatste keer toen hij een vertegenwoordiger van het zwakke geslacht niet ver van zijn ziekbed zag. Die aardige dame verzorgde een oude man die zijn kamergenoot was. En omdat hij niet praten kon, want hij zat in zijn verlamming gevangen, wees hij met zijn ogen naar haar die zijn verbeelding aan had gestoken.
Nonno Salvatore sprak een vreemde taal de maanden voordat hij stierf. Zijn geest was helder, maar hij kon de woorden niet meer in de juiste volgorde zetten, en toch, als ik soms zijn zinnen kon raden, blonken zijn ogen vol vreugde.
Men heeft mij altijd gezegd dat ik een knobbel voor talen heb!
Salvatore had groene ogen en een glimlach als een engel. Hij begon al heel jong zijn beroep als koperhandelaar, dat hem met zijn kar van dorp tot dorp op het eiland bracht, ter gelegenheid van de talrijke Heilige feestdagen, voortgetrokken door zijn paard.
Op zijn kar, verkocht hij zijn koperen koopwaar; ketels, kolenpannen, amforen, poken voor de open haard en borden. Hij repareerde ook oude ketels, koperen bekers en talloos gereedschap.
Als hij van zijn reizen terugkeerde was zijn kar gevuld met hammen, grote kazen, wijn en fruit.
Nonno Salvatore repareerde niet alleen kolenpannen, hij repareerde ook gebroken of eenzame harten, van vrouwen die hij tegen kwam en die zijn koperwerk kochten.
Op een van die dagen, toen hij door mijn oma´s dorp kwam, ter gelegenheid van het feest van de Heilige Giuseppe, zag hij haar voor de eerste keer, hij werd verliefd en besloot haar als zijn bruid te nemen.
Hij was toen twintig en zij, Gina, eenentwintig.
Op de tiende mei van het jaar 1935 trouwden zij en hij bracht haar tijdens hun huwelijksreis op zijn fiets naar een naastliggend klein dorpje en daar in Villanovatulo werd zij zijn vrouw in de ware zin des woords.
De eerste vrucht van deze liefde, die 60 jaren duren zou, was Antonio, die mijn vader zou worden in 1964.
Nonno Salvatore begon opnieuw te reizen om zijn koopwaar in de verschillende dorpjes te verkopen aan de dorpsvrouwen, in ruil voor hammen en kazen, verpakt in lokkende blikken en geheime glimlachjes.
Mijn Nonno hield van vrouwen, hij hield van ze allemaal en kon zijn ontroering niet verbergen iedere keer, dat een van hen, haar zachte blik op hem liet rusten.
Naast zijn koperwerk deelde hij liefdesmomenten die kostbaarder waren dan het goud, tenminste voor een kort ogenblik.
Mijn vader vertelde mij lang geleden, dat op een dag, toen zij langs de dorpen reden, Nonno hem vroeg: “Zeg niet vader tegen mij, noem me oom!”. Toen wist mijn vader nog niet waarom.
Maar Nonno Salvatore liet het tijdens de oorlogstijd aan zijn vrouw en kinderen, het waren er inmiddels al vier; Giovanni, Mario, Giuseppe en Antonio, niets ontbreken.
Tijdens de oorlog verleenden zij onderdak aan een jonge vrouw en haar kind die geen woning meer hadden. Aldus waren het acht monden in totaal die gevoed dienden te worden. Nonno zorgde altijd voor de noodzakelijke voorraad. Hij was zelfs zo bezorgd voor de gezondheid van de jonge vrouw, dat, toen zij op een dag buikpijn had, hij haar buik masseerde en een beetje peper in haar navel deed, om de pijn weg te jagen.
Dit was tenminste de uitleg die hij aan Nonna gaf. Wat mijn Nonna toen niet wist, is dat, nadat hij zorgvuldig al het water uit de amforen gegoten had, hij zijn vrouw op pad stuurde om nieuw te halen. Zo verzekerde hij zich van haar afwezigheid voor de hele lange, luie zomermiddag, waardoor hij zich helemaal aan de lijdende jonge vrouw kon wijden.
Mijn Nonno´s huis had een grote binnenplaats en alle kamers hadden uitzicht hierop. Als de wind waaide dan bewogen de katoenen gordijnen, die de kamers in de winter tegen de vliegen en in de zomer tegen de muggen beschermden, zich als bekoorlijke danseressen, gracieus opheffend en zacht opnieuw naar beneden glooiend.
Ik hield van dat huis in dat kleine dorpje, waar ik als kind voor de belangrijkste feestdagen Kerstmis, Nieuwjaar, Pasen en de Heilige Giuseppe naartoe ging.
Als wij geluk hadden werd er soms ook een nieuw huis voor een familielid of een familievriend gebouwd. Alle mannen van de familie werkten mee, dus ook mijn vader.
Tijdens de vakantiedagen werd ik wakker door de hamerslagen tegen een enorme koperen ketel die Nonno, die al heel vroeg in de ochtend opgestaan was, repareerde op de binnenplaats. Klokslag elf uur, iedere dag van de week, ging hij een glaasje malvasia drinken in het café “Cardellino”.
Nonna´s geschreeuw begeleidde hem dan tot buiten de poort, totdat hij al een paar meter ver weg was.
Nonna vond die gewoonte maar niets, maar hij won altijd. s´Avonds werd de vrede hersteld, de groene ogen en de engelenblik van Nonno waren altijd overtuigend.
Ter gelegenheid van de “grote” feesten van Kerstmis en Pasen hield Nonno zich bezig met het slachten van arme lammetjes en tedere varkentjes, die met laurier en rozemarijnbladeren versierd waren en die altijd doorkliefd op zijn braadspit terechtkwamen.
Soms tijdens die feestdagen liep ik één van de slaapkamers binnen, schoof de katoenen gordijnen, die een patroon van roze rozen hadden, opzij en voor mijn ogen verscheen een enorm dier, volledig opengesneden en doorgestoken met een lange ijzeren braadspies. Het opgeofferde slachtoffer voor onze zondagse maaltijd.
Mijn talloze neefjes, nichtjes en ik keken vol aandacht naar het schoonmaken van de meterslange darmen van de pechvogel, dat nodig was voor de voorbereiding van de “trattalia”.
Nonno sneed zorgvuldig met een reusachtig groot mes alle ingewanden in kleine stukjes en stak deze aan het ijzeren braadspies, omwikkelde ze met de schoongemaakte darmen, die gebraden heel lekker en knapperig waren.
Ontzet, maar tegelijkertijd betoverd, staarde ik naar het bloed dat op het grote witte bord met de blauwe rand druppelde en naar het bloed aan Nonno´s handen.
Nonno Salvatore zat altijd aan het hoofd van de tafel, om met het grote mes de kaas en de gerookte ham te snijden.
Voor onze, met afschuw en verbazing gevulde kinderogen, was hij in staat ons aan te staren met ogen die ons bang maakten, terwijl hij in zijn mond een dik schapenoog liet verdwijnen en uit het gebraden, in twee perfecte gespleten delen schaapshoofd, met een lepeltje de hersenen van het arme slachtoffer op at. Hij nodigde ons uit om het te proeven: “Eet! Het maakt jullie slimmer”, zei hij lachend!
Wij draaiden onze gezichten met een uitdrukking van afkeer om. Bah!
Nee, wij wilden het chocolade paasei of de lekkere panettone, die koek die gevuld was met rozijnen en gekonfijte vruchtjes. Weg met die hersenen!
Na de overvloedige maaltijd, waarvoor twee tafels voorbereid werden, één voor de “grote mensen” en één voor de “kleine mensen”, die aan de tafel van de “groten” vastgezet werd, kregen wij het lang verwachte chocolade paasei, terwijl de volwassenen van hun casu mrazzu genoten.
Na het eten liet Nonno uit zijn diepe zakken, de munten te voorschijn komen, die wij zo graag hadden. Daarna zaten wij op de binnenplaats gierig de munten te tellen, waarna wij ze uitgaven aan een enorme hoeveelheid ijs in het café ”Cardellino”.
Nonno at als kleine middagmaaltijd brood met casu mrazzu. Hij zei dat hij een ijzeren maag had en toen ik hem voor de eerste keer als ontbijt soep met ricotta, spek en tuinbonen zag eten, verdwenen al mijn twijfels.
Nonno lachte heel vaak, hij maakte ook vaak ruzie met Nonna, maar ze herstelden ook snel de vrede. Ik hoor nog hun heldere stemmen in mijn oren.
Ook toen hij oud en ziek was, lachte hij vaak, in ´t bijzonder als hij gezelschap had van iemand van “het zwakke geslacht”.
En als hij soms slecht gezind was en de danseressen op de televisie zag, of onze buurvrouw die toevallig in de buurt was, dan scheen alweer een glimlach op zijn gelaat.
Ondanks de ziekte brandde nog steeds de vonk van levenslust in zijn ondeugende ogen.
Nonno lachte, hij lachte het leven uit, dat hem zo veel gegeven had, misschien omdat hij het nooit serieus genomen had. Het leven wachtte tot hij oud en ziek was maar hij ging gewoon door met lachen. En toen zijn stem hem uiteindelijk in de steek liet bleven alleen zijn ogen nog lachen.
Zijn glimlach en zijn lichtzinnigheid leven verder in mij. Mijn erfenis van Salvatore, die groene ogen had en de blik van een engel die grapjes maakt.
Nonno Salvatore aveva nella sua vita, due grandi passioni: la vernaccia e le donne. Due giorni prima di lasciare questa terra, che per lui non era stata una valle di lacrime, bensi’ un luogo di piacere, i suoi occhi si illuminarono ancora una volta e per l’ ultima volta, alla vista di una esponente del gentil sesso poco distante dal suo letto. La gentile signora accudiva un anziano signore, suo compagno di stanza. E non potendo parlare, poiche’ era la paralisi lo teneva prigioniero, indicava con lo sguardo colei che aveva acceso la sua immaginazione.
Nonno Salvatore, parlava una strana lingua i mesi prima di morire, la sua mente era lucida ma non riusciva piu’ a mettere le parole in ordine, eppure, quando a volte indovinavo le sue frasi in quella strana lingua, i suoi occhi ridevano di gioia. Me l’ hanno sempre detto che sono portata per le lingue.
Salvatore aveva gli occhi verdi e un sorriso angelico.
Aveva iniziato da giovane il suo lavoro di commerciante di rame che lo portava in giro sul suo carro, trainato da un vecchio cavallo per i paesi dell’ isola, per le feste dei numerosi santi. Li, sul suo carro egli vendeva la sua mercanzia di rame: pentole, bracieri, anfore, attizzatoi per il camino e piatti, e riparava vecchie pentole, boccali di rame ed utensili vari.
Al ritorno dai suoi viaggi, il suo carro era ricolmo di prosciutti, formaggi, vino e frutta.
Ma non riparava solo pentole e bracieri, mio nonno riparava anche cuori infranti o solitari, soprattutto delle donne che incontrava e che acquistavano la sua merce.
Fu un giorno di quelli che passando per il paese di mia nonna, in occasione della festa di S. Giuseppe, che egli la vide per la prima volta, si innamoro’ e decise di farne sua moglie. Lui allora aveva vent’ anni e lei, Gina, ne aveva 21.
Il 10 maggio 1935 si sposarono e lui la porto’ in luna di miele sulla sua bicicletta, in un paese vicino. li’ in quel di Villanovatulo, egli ne fece la sua sposa.
Il primo frutto di questo amore che sarebbe durato 60 anni fu Antonio, colui che sarebbe diventato mio padre nel 1964.
Mio nonno Salvatore, riprese i suoi viaggi per portare la sua mercanzia nei vari paesi in cambio di prosciutti e forme di formaggio, accompagnati da sorrisi velati e sguardi invitanti delle donne che scambiavano la sua merce.
Mio nonno amava le donne, le amava tutte e non poteva fare a meno di essere mosso a commozione ogniqualvolta una di esse poggiava il suo languido sguardo su di lui. Cosi’ oltre alla sua mercanzia, di rame, dispensava momenti d’ amore piu’ preziosi dell’ oro, almeno per un breve attimo. Mio padre mi racconto´una volta, che un giorno, mentre viaggiavano per i paesi in occasione delle feste patronali, lui gli aveva detto: “Non chiamarmi babbo, chiamami zio!”. Allora non aveva capito il perche´. Ma mio nonno Salvatore non faceva mancare nulla a sua moglie ed ai suoi figli che in tempo di guerra erano aumentati ed erano diventati gia´ quattro, Giovanni, Mario e Giuseppe oltre a mio padre.
Durante la guerra inoltre, accolsero nella loro umile casa, anche una sfollata e il suo bambino. Le bocche da sfamare divennero complessivamente otto. Ma mio nonno riusciva sempre a mettere insieme il cibo necessario. Era cosi´ preoccupato anche per la salute della giovane sfollata che un giorno che essa accuso´dei dolori, egli le fece persino dei massaggi al ventre e splvero´un po´di pepe nel suo ombelico per scacciare il male. Questa fu la versione che racconto’ a mia nonna al suo ritorno dalla sorgente presso la quale si era recata per prendere l’ acqua. Cio’ che mia nonna allora ignorava, era che mio nonno dopo aver accuratamente versato tutta l´acqua delle brocche in cortile, mandava sua moglie a prenderne dell´altra, assicurandosi cosi´la sua assenza per tutto il lungo e pigro pomeriggio estivo, in cui egli, poteva dedicarsi completamente alle cure delle giovane e sofferente signora.
La casa di mio nonno era tutta al piano terra, ed aveva un grande cortile, tutte le stanze si affacciavano all’ esterno e quando c’era vento, le tende di cotone, che proteggevano le stanze dalle mosche d’ inverno e dalle zanzare d’ estate, si muovevano come leggiadre danzatrici, sollevandosi con grazia verso l’ alto per riabbassarsi poi dolcemente al suolo.
Amavo quella casa in quel piccolo paese dove io bambina passavo le feste principali, Natale, Capodanno, Pasqua e San Giuseppe in agosto. Se poi eravamo fortunati c’era sempre qualche casa nuova da costruire in paese, o di qualche parente o di un amico di famiglia, e tutti gli uomini della famiglia davano una mano, tra cui anche mio padre.
Durante le vacanze mi svegliavano i colpi di martello contro il grande pentolone di rame, che mio nonno, sveglio dall´alba, riparava in cortile di buon mattino. Alle 11 in punto ogni giorno e tutti i giorni della settimana andava a farsi un buon bicchierino di malvasia nel bar di Cardellino. Le urla di mia nonna lo accompagnavano sin fuori dal portone finche’ era gia’ lontano di qualche metro. A mia nonna quell’ abitudine non piaceva, ma vinceva sempre lui, la sera poi facevano pace, gli occhi verdi e lo sguardo d´angelo di mio nonno erano sempre molto convincenti.
In occasione delle feste “grandi”, di Pasqua e Natale, mio nonno si occupava della macellazione di poveri agnelli e teneri maialetti, che finivano puntualmente sul suo spiedo, ornati di foglie d’ alloro e rosmarino.
A volte, uno di quei giorni di festa entravo per caso in una delle stanze da letto, spostavo la tenda di cotone grezzo, color panna con delle rose rosa e davanti ai miei occhi appariva un enorme animale completamente aperto ed infilzato in un lungo spiedo di ferro. La vittima sacrificata per il nostro pranzo domenicale della festa.
Soprattutto assistevo con grande interesse, mio e dei miei numerosi cugini, alla pratica della pulitura delle lunghissime budella dello sfortunato animale necessaria alla preparazione della “trattalia”.
Mio nonno tagliava poi con cura e con un enorme coltello, tutte le interiora e le infilzava nello spiedo di ferro attorcigliandole con gli intestini che arrostiti erano buoni e croccanti. Inorridita ed affascinata guardavo il sangue che gocciolava sull´enorme piatto di latta bianco con il bordo blu ed il sangue sulle sue mani.
Mio nonno Salvatore stava sempre seduto a capotavola, con il grande coltello per tagliare il formaggio o il prosciutto affumicato.
Davanti agli occhi stupiti e inorriditi di noi bambini era capace di guardarci con occhi da far spavento mentre faceva sparire nella sua bocca un enorme occhio di pecora, e dalla testa arrostita, spaccata in due parti uguali, con un cucchiaino si mangiava il cervello del povero animale invitandoci ad assaggiarlo, “Mangia che ti fa diventare intelligente” diceva ridendo.
Ma noi disgustati giravamo le facce con un Puah! Noi volevamo l´uovo di cioccolata o il “panettone” , la buona torta con frutta candita e uva passa. Altro che cervello!
Dopo l´abbondante pranzo per il quale venivano allestiti due tavoli uno per i “grandi” ed uno piccolo per i “piccoli”, che veniva attaccato a quello dei grandi, ricevevamo il tanto atteso uovo di pasqua, mentre gli adulti si deliziavano con il loro personale dessert, il loro tanto amato formaggio coi vermi.
Dopo pranzo poi nonno Salvatore faceva apparire dalle sue enormi tasche le tanto amate monetine, che poi noi contavamo avidi, seduti in cortile e poi andavamo a spendere nel famoso bar di Cardellino in un enorme gelato.
Mio nonno invece spesso faceva merenda con il formaggio con i vermi.
Diceva di avere uno stomaco di ferro e dopo averlo visto diverse volte fare colazione con una minestra fatta di ricotta, lardo e fave, tutti i miei dubbi sparirono.
Mio nonno rideva spesso, litigava anche spesso con mia nonna ma facevano pace lo stesso giorno. Le loro voci squillanti le sento ancora nelle mie orecchie.
Anche quando era ormai vecchio e malato, nonno Savatore rideva spesso, specialmente quando si trovava in compagnia di una persona di sesso femminile, e quando qualche volta era di malumore, bastava che vedesse le ballerine in tv o la vicina di casa che casualmente veniva a farci visita, che il sorriso splendeva sul suo volto di nuovo.
Nonostante la malattia, la scintilla della vita continuava a brillare in quegli occhi un po´impertinenti e che ridevano tanto.
Mio nonno rideva, rideva della vita, che gli aveva dato tanto, forse proprio perche´ lui non l´aveva mai presa troppo sul serio, e la vita ha aspettato che fosse vecchio e malato, ma lui ha continuato a ridere con i suoi occhi quando non poteva piu´farlo con la voce. Il suo sorriso e la sua spensieratezza io, le ho ereditate. L´eredita di Salvatore, dagli occhi verdi e dallo sguardo di un angelo un po’ burlone.
|