|
van Donatella
|
Pen en Papier
Leeg papier. Mijn eerste zelf uitgekozen vulpen was een Mont Blanc Carrera. Een geel met zwarte vulpen en een clip als een racestuur met gaten. Tot en met mijn studiejaren op de universiteit heb ik met deze pen geschreven. Op de HBS-b experimenteerde ik vaak met de kleur van de inkt. Zelfs groene en rode inkt had je in die tijd. In combinatie met gekleurd Multopapier werden alle gevolgde lessen een vrolijke boel. Toen ik later de pen weer eens ter hand nam, bleek ik er niet meer lekker mee te kunnen schrijven. Zou het puntje toch eenzijdig afgesleten zijn? Dat kan toch niet met goud? Maar niet alleen schrijven wordt opgewekt door maagdelijk wit papier. Ook het maken van kleine tekeningen zoals ik dat zo graag in mijn tienerjaren deed, komt in mij op. Vooral als ik mijn Rotringtekenpen weer eens tegenkom bij het opruimen. Hij is de laatste die nog is overgebleven. Met zijn dikte van 0,7 millimeter heeft hij als enige mijn onachtzaamheid en slordigheid overleeft. Ik heb alleen nog maar het schrijfgedeelte. Het vasthoudertje heb ik waarschijnlijk weggegooid met de vastgelopen 0,5 en 0,3 mm. Ik heb er heel veel geboortekaartjes mee gemaakt, met zelfontworpen tekeningetjes en zelfgeschreven teksten. En als ik de pen met een paar druppels zwarte Oost-Indische inkt vul, dan wil ik blijven tekenen, net zolang tot de inkt op is. Laatst was ik in een vulpenwinkel waar ze nog die oude types van de Rotringpen hadden. Het valt me op met hoeveel aandacht en liefde de eigenaren hun schrijfgerei behandelen. In die winkel heb ik mijn nieuwste aanwinst, een stevige donkerblauwe Schaeffer vulpen met een dikke punt aangeschaft. Eigenlijk kan ik uren in zo’n winkel doorbrengen om pennen te passen. Ik heb dan de illusie dat ik in een kwartier de juiste pen kan uitzoeken. Ik weet echter dat er altijd een periode van wennen volgt. Het duurt altijd even voordat ik precies weet hoe ik hem het beste kan vasthouden. Elke keer als ik langs de vulpenwinkel loop kijk ik in de etalage naar de nieuwste modellen, die meestal veel te duur zijn. Ook balpennen en vulpotloden hebben mijn aandacht. De lekkerste potloden zijn zachtschrijvende exemplaren van gewoon hout, die ik meestal aan twee kanten slijp. De ene reden is te voorkomen dat ik ga bijten op het potlood, de andere reden is dat ik dan langer kan blijven schrijven voordat ik moet slijpen. Van een oudtante heb ik een echte Parker, een lekker dikschrijvend vulpotlood met gouden dop geërfd. Helaas heb ik weer ruzie met de potloodstaafjes. Ze blijven niet zitten; de pen ligt te wachten in mijn bureaula totdat ik weer eens naar de vulpenwinkel ga. Toen ik dertig werd heb ik van mijn vader een moderne Parkerset met doosje gekregen, die ik zeker tien jaar gebruikt heb. Vector Color staat er aan de binnenkant. En het zijn die kleuren paars, groen en roze, die de rollerball een rustend bestaan heeft gegeven. Het was echt niet meer van deze tijd. Bovendien knoeide ik er geregeld mee, en paste het doosje niet meer in mijn voorlaatste handtas. De balpen gebruik ik nog wel, bij gebrek aan iets moderners. Elke verjaardag hoop ik op een mooie set. En ik weet dat als je je wensen niet kenbaar maakt, ze gewoon verborgen blijven. Wat moet een mens in deze maatschappij vol computers en informatietechnologie met een vulpen? Inderdaad zijn er geen jonge mensen meer, die nog met plezier een vulpen pakken. Mijn kinderen stellen wel prijs op een pen, die lekker in de hand ligt. Maar dat is dan altijd een balpen, een van de beste uitvindingen van de vorige eeuw. Ook de balpen heeft voor mij ook een speciale waarde. Als ik het papier kan beschrijven op een leren of andere zachte ondergrond, dan kun je aan de diepte van de indruk in het papier merken in welke stemming ik ben. Als ik iets heel duidelijk wil maken, dan zal de papierindruk groter zijn; heb ik snel en slordig geschreven dan zijn de krullen groot. Ben ik zuiniger op mijn woorden, ben ik ze aan het wikken en wegen, dan is de indruk minder diep en is mijn handschrift netter en kleiner. Met mijn Mont Blancvulpen werden bij grote haast en passie de opgaande halen van mijn handschrift mooi breed. Het leek dan bijna kalligrafie, een kunst, die ik me nog niet eigen heb gemaakt. Tijdens lessen waar veel dictaat geschreven moet worden, gebruik ik de donkerblauwe Schaeffer heel graag. Soms heb ik het idee dat de pen mijn tempo niet kan bijhouden, omdat er bij de opgaande lijntjes weinig inkt uitkomt. Meestal komt dat doordat ik net een nieuwe vulling heb aangebracht, en de pen voor mijn gevoel weer even moet wennen. Over papier kan ik ook heel lyrisch worden. Ik heb mijn voorkeuren, maar het is niet altijd gemakkelijk om het juiste papier te vinden. Uit gemak schrijf ik meestal op het goedkoopste schrijfblokkenpapier. Als ik papier in mijn handen krijg dat een beetje absorbeert en waar mijn pen zonder te haken snel overheen kan gaan, dan geniet ik met volle teugen. Des te erger is het dan dat ik soms niets weet te schrijven. Dat ik nog twijfel aan de volgorde van mijn tekstfragmenten. Op de computer kun je gewoon blijven schrijven. Later kun je eenvoudig knippen en plakken, zodat je tekst eruitziet zoals jij dat wilt. Vriendinnen weten dat mijn brieven soms onberispelijk zijn en dat ze er soms uitzien alsof ik er met mijn hoofd niet bij ben geweest. Het is heel belangrijk voor mij om in de juiste stemming te zijn. Ben ik dat niet, dan lukt het ook niet. Een paar lieve en opbeurende woorden schrijven als er iemand overleden is, is voor mij nog altijd een uitdaging. Ik koester de illusie dat ik op zo’n moment kan bijdragen aan het verwerken van verdriet. Eigenlijk kan ik beter schrijven dan spreken. Of dat komt omdat ik dan langer mag nadenken over woorden en zinnen? Afgelopen jaar heb ik me driemaal tevergeefs aangemeld voor een schrijverscursus. Te weinig aanmeldingen was dan altijd het teleurstellende antwoord. Het houdt me niet tegen om met mijn schrijversmaatje Donatella bezig te blijven met het schrijven van verhalen en gedachten op papier te zetten. In de afgelopen jaren is
mijn handschrift veranderd. Brieven, dagboeken en oude schriften laten
mijn ontwikkeling zien. In schriften van de HBS valt het me op dat ik heel
netjes schrijf. In die tijd heb ik ook om de een of andere reden van alle
puntjes een rondje gemaakt. Alle letters i, j en ij worden nu door mij
ijverig van rondjes voorzien. Pas als ik me geremd voel om even halt te
houden en een keurig rondje te schrijven, maak ik een puntje. En als ik
nog sneller wil schrijven worden de puntjes een streepje, vooral bij de
lange ij. Ik denk niet dat mijn handschrift echt gemakkelijk te lezen is
voor anderen. De letters u en n lijken heel veel op elkaar en als er ook
nog de letter m of twee nn-en in voorkomen dan worden het allemaal spitse
golven naar boven. Ook de krullen en grote gezellige letters zorgen soms
voor onbegrip. En de verbeteringen van alle fouten door mijn snelle manier
van schrijven, maken het niet altijd echt leesbaar. Natuurlijk hou ik
rekening met mijn lezers en minstens één keer per jaar test ik mijn
kunsten en schrijf ik meestal nieuwjaarswensen en bijbehorende brieven,
tot wel 8 kantjes. Ik vind het fijner om brieven te schrijven dan een kort
Op de lagere school kan ik mij het vloeipapier nog herinneren. Het waren groene en soms roze vellen papier met gerafelde randen vol inktvlekken. Soms kon je hele zinnen in spiegelbeeld herkennen, maar meestal waren slechts flarden van woorden te herkennen. Ik gebruikte zo’n vel ook wel eens om te kijken hoe ver de inkt uitliep als je je vulpen erop hield. Gefascineerd keek ik dan toe hoe het papier zich langzaam vulde met de inkt. Als die plek nog heel nat was, kon het papier daar snel scheuren. Soms zag ik op de televisie een prachtig exemplaar van een afgerond houten vloeipapier. Daar ben ik altijd jaloers op geweest. Als ik aan het eind van een bladzijde gekomen ben, kan ik me nauwelijks bedwingen. Voordat de inkt droog is wil ik de bladzijde al omslaan, vlekken en ongewenste afdrukken voor lief nemend. Hoe gemakkelijk is het dan te beschikken over papier dat al uit zichzelf inkt absorbeert. Ook de inktlap kan ik me nog herinneren. Zelfgemaakt, met lapjes goed absorberende stof en een zelf eraangezette knoop in het midden. Ook mijn kinderen hebben zo’n lap gemaakt. De inktlap was heel handig. En als ik weer eens met blauwe vingers bij een lezing zit, dan denk ik met weemoed terug aan het zachte flanel, terwijl ik met een papieren zakdoekje probeer de lekkende vulpen schoon te maken. Ondanks verbeterde technieken lukt het me al sinds mijn begintijd om blauwe vingers te krijgen. Het brengt mijn gedachten wel altijd terug naar de schoolbanken. Er zijn twee houdingen waarin ik het liefste schrijf. De ene is liggend in bed, op mijn buik en zonder bril. Eigenlijk is dit de houding die het meeste inspiratie oproept. De andere is gewoon aan tafel, op een goede stoel, waarbij ik schrijf zoals ik het op school geleerd heb, schuin en alles aan elkaar. Mijn oma Nonnon kon heel mooi met losse letters schrijven. Jaren later schreef ik zelf de verhalen van en over de motorclub in blokletters. In die tijd hadden we wel een typemachine, maar sommige letters deden het niet meer zo goed. De letter e kwam met moeite op het papier terecht. Tegenwoordig schrijf ik ook graag verhalen achter de computer. Ik heb pas geleden geleerd blind te typen. Dat is een stuk rustiger voor je ogen, en het typen gaat nu een stuk soepeler. Ik weet nog niet helemaal zeker wat het lekkerste werkt of wat het meest produktief is, werken op papier of werken achter de computer. Schrijven op papier geeft je meteen resultaat. Zet je de tekst dan later in de computer dan blijft er meestal niet veel van over. Het allernieuwste heb ik
bij onze laatste gezamenlijke vakantie in werking gezet. Op een kleine
Personal Digital Assistant, een minicomputertje, heb ik een oprolbaar en
afwasbaar toetsenbord aangesloten. Zittend op het terras in de avondzon
heb ik zo de belevenissen van die dag ingetikt. Ik heb het verhaal nog
niet uitgewerkt, maar het is al digitaal. Wie weet hoeveel verhalen ik op
die manier zal schrijven? 25 januari 2003
|
Patricia Coors werk of privé |