Zeilen
Zeilen is absoluut mijn favoriete hobby. Ik zeil graag, maakt niet uit waar of met wat
voor boot. Vroeger hadden we een Valk 'De kleine bliksem', waar we tochten mee maakten vanuit
Roermond, op de Maasplassen, of over de Maas zelf en ook verder over de andere grote
rivieren, tot in de Biesbosch of in Friesland.
We hebben ook altijd veel gevaren op "de Losbol", een scherp jacht van ongeveer 10 meter. In 2008 hebben we een uitgebreide zeiltocht met die boot op de planning staan. Kijk voor meer daarover op de site Paulien en Evert op reis.
Hieronder een paar elders gepubliceerde verhalen over enkele van mijn
zeiltochten: Zeeuwse Duotocht 2009,
Zeeuwse Duotocht 1995 en een tocht over
Maas, Waal en Rijn.
Ook staat er nog een verhaal over een virtuele zeilrace
waar ik aan heb meegedaan.
Zeeuwse duotocht
4 keer 24 uur zo veel mogelijk zeilen
Ieder jaar in september beleeft Zeeland een zeer speciaal zeilevenement. In 4 keer 24 uur
moeten in een zelf te kiezen volgorde een aantal havens in het deltagebied worden bezocht.
De punten worden vlak voor de start in Vlissingen bekend gemaakt, terwijl een aantal
vaargeulen tot verboden gebied worden verklaard en een aantal andere geulen weer juist wel
moeten worden bevaren. Voeg daarbij de wisselende getijdestromen, het wisselvallige weer eind
september en de korte daglengte, dan zijn genoeg ingredi'nten bij elkaar voor een pittige
tocht voor schepen met maximaal twee personen aan boord. Onderstaand een verslag van Hans
Loeve en Evert van de Vrie die voor het eerst aan deze tocht deelnamen.
Na al een paar jaar elkaar er op aan te hebben gekeken was het in 1995 eindelijk zo ver.
Een week vrijaf lukte nu eindelijk voor beiden tegelijkertijd en met de Losbol,
een kieljacht van 10 meter, werd ingeschreven voor de tocht. Het schip bleek het
grootste van de deelnemende vloot. Hoewel in principe een hoge snelheid gehaald kan
worden is dat niet het belangrijkste om de tocht te winnen. Aan het einde van de tocht
moet een uitgebreid journaal worden ingeleverd, waarin de gevaren route precies staat
beschreven. De volgorde waarin alle opgegeven havens worden aangedaan is immers vrij,
zodat iedere deelnemer een andere route kan volgen. In het journaal moet verantwoord
worden waarom de havens in de gekozen volgorde werden aangedaan. Een jury beoordeelt
de keuzen en kent daar punten voor toe. De meeste punten kunnen op die manier verdiend
worden. Iets minder punten kunnen verkregen worden door de motor zo weinig mogelijk te
gebruiken, het is immers een zeiltocht. Overigens is het gebruik van de motor buiten de
havens, kanalen en sluizen al helemaal niet toegestaan. Een en ander leverde situaties
op waarin met kieljachten haventjes werden ingekruist, of de zeilen al tussen de
sluisdeuren werden gehesen. Nog iets minder punten kunnen verdiend worden met de
kortste zeiltijd in totaal en ook nog een paar punten worden toegekend voor
de volgorde waarin de deelnemers weer in Vlissingen arriveren.
Vooraf waren een aantal maatregelen getroffen om zo goed mogelijk voor de dag te komen.
Er was bijvoorbeeld een wrikriem aan boord, om in havens en sluizen de motor zo weinig
mogelijk te gebruiken en daarbuiten enige voortgang te kunnen maken. Er werd immers gevaren
op stromend water en dan is bij windstilte een beetje voortgang soms toch nog wel erg handig.
Voortgang werd met het grote zware schip op de wrikriem wel gemaakt, maximaal 0.8 knoop,
maar het leverde ook de nodige blaren op. Verder was behoorlijk gestudeerd op mogelijke
routes. Het was bijvoorbeeld vrijwel zeker dat er in de Westerschelde een tijhaven
(droogvallend met laagwater) aangedaan moest worden, zodat het vertrek vanuit Vlissingen
de Westerschelde op kon zijn, of via het kanaal door Walcheren naar het Veerse Meer.
Daarnaast moest geprobeerd worden zoveel mogelijk met het tij mee te varen, om de
zeiltijd zo laag mogelijk te houden en moest bovendien rekening gehouden worden met
de tijden waarop bruggen en sluizen draaiden. Hoewel er per etmaal minimaal 8 uur in
een haven gerust moest worden, was er altijd het risico om op een verkeerd moment voor
een brug of sluis aan te komen, zodat er erg veel tijd verspeeld kon worden. Kortom,
met een groot aantal factoren moest rekening worden gehouden om de optimale route te
bepalen.
Vrijdag 22 september lagen in de loop van de middag 20 schepen klaar voor de start in
de jachthaven van Vlissingen. Om 16.00 uur startte de briefing en op het einde daarvan
zouden de zeilaanwijzingen, waarin alle aan te lopen havens stonden, worden uitgedeeld.
Tussen 17.00 en 19.00 uur moest gestart worden.

Zoals verwacht bevatte de lijst met aan te lopen havens een tijhaven in de Westerschelde:
Ellewoutsdijk. Met laag water alleen modder en met hoog water onbeschut vanuit het zuidwesten.
Hoewel het tij niet helemaal optimaal was besloten we eerst deze haven aan te lopen.
Er was immers een rustig windje en de voorspelling voor de volgende dagen was aanmerkelijk
onstuimiger. We vertrokken zo laat mogelijk om zo weinig mogelijk stroom tegen hebben en
rond middernacht vonden we zonder al te veel problemen de onverlichte haven. Middenin de
haveningang van ongeveer 15 meter breed lag al een ander duotochtzeilschip vast in de
modder en onder zeil schoven we daarnaast, ook vast. Met het opkomende water konden we
na een halfuurtje de kant bereiken en het verplichte telefoontje plegen en een briefkaart
posten als bewijs dat we Ellewoutsdijk werkelijk bezocht hadden. Daarna gingen we verder
richting Hansweert, overnachten in Ellewoutsdijk was immers onmogelijk. Met de AP-navigator
en de dieptemeter vonden we onze weg in de maanloze nacht door geulen met onverlichte boeien,
of zelfs helemaal zonder boeien. De wind liet het soms helemaal afweten, zodat er nog een
keer stevig met het roer gewrikt moest worden om een boei te missen waar de stroom ons met
een snelheid van ruim twee knopen tegenaan wilde zetten. Voor Hansweert draaide de stroom
en mogelijk kwam er ook net een beetje wind, zodat we vaart konden maken en de haveningang
in konden zeilen zinder er voorbij te spoelen. Jagend, wrikkend en zeilend passeerden we
de sluis en de bruggen van het kanaal door Zuid-Beveland. Tegen vijf uur 's ochtends
meerden we af in Wemeldinge.
De volgende dag mochten we na de verplichte 8 uur rust pas om 1 uur weer op pad. Wind was
er nauwelijks, zodat we langzaam met de stroom mee richting Bergsediepsluis bij Bergen op
Zoom, de volgende verplichte haven, spoelden. Daar arriveerden we precies met hoogwater,
zodat we weer met het afgaande water mee konden de Oosterschelde uit. De Sofia-haven,
vlak bij de stormvloedkering, was die zaterdag niet meer haalbaar, want de wind viel
volkomen weg. Een uur wrikken dwars op de stroom, voorkwam dat we de haven van Kats
voorbij spoelden. Met windstilte buiten een haven wilden we zo veel mogelijk voorkomen,
want dat telde wel als zeiltijd, maar voortgang leverde het niet op. Volgens het
weerbericht zou het de volgende dag windkracht 7 waaien, bijna niet te geloven met de
absolute windstilte die op dat moment heerste. Maar de volgende dag zouden dan tenminste
meer mijlen gemaakt kunnen worden en mogelijk meer havens kunnen worden aangelopen, want
na twee dagen twee havens, was nog weinig bemoedigend.
Al te vroeg konden we zondagochtend niet vertrekken, want dan zouden we nog niet onder
de Zeelandbrug door kunnen. Om een uur of zeven 's ochtends vertrokken we uiteindelijk
en met een speling van zo'n vijftig centimeter voeren we onder de Zeelandbrug door. De
wind stak al aardig op en met stroom mee legden we de 7 mijl naar Sofia-haven binnen
een uur af. Bellen en een kaartje posten en direct door, eerst nog enigszins tegen de
stroom in. Het water was nog wat gevallen zodat we weer probleemloos onder de Zeelandbrug
door konden. De wind stak nog wat verder op, maar we voeren bezeilde koersen. Toen we ook
nog de stroom meekregen, maakten we een zeer snelle tocht naar St Philipsland. We rekenden
er op dat we daar te vroeg aan zouden komen om aan land te kunnen. De haven van
St Philipsland is immers niet veel meer dan een kade achter een korte strekdam, waar
je met laag water rondom de geheel droogvallende vrachtschepen kunt lopen en dat was
nog maar twee uur geleden. Rondom de strekdam bleek het water echter behoorlijk diep
en de oever zeer steil, zodat we ondanks de diepgang van bijna twee meter, de kop op de
wal konden zetten en met droge voeten af konden stappen. Dat viel enorm mee, zodat er
snel weer een telefooncel en een brievenbus gezocht kon worden. Die lagen aan weerszijden
van het kleine kerkje dat op deze zondagochtend stond te galmen van het gezang van de
kerkgangers uit dit streng gereformeerde dorp. Ondanks mijn zeillaarzen, mijn verwaaide
kop en gele zeiljack werd ik vriendelijk gegroet door het kerkpubliek dat met keurige
hoedjes op net het kerkje verliet. De wind was nog wat verder opgestoken en zo'n 5 a 6
uit het zuidwesten. Met dubbelrif en een ver weggerolde genua kruisten we de zeer smalle
Krabbenkreek uit. Het lage water liet uitgestrekte drooggevallen slikken en schorren achter
en een smalle vaargeul, waar zich nauwelijks golfslag kon ontwikkelen. De dieptemeter was
zeer behulpzaam om zo lang mogelijke slagen aan de wind te kunnen maken. In getijdenwater
is een dieptemeter waarschijnlijk het nuttigste instrument. Koers en snelheid zijn nog wel
enigszins op het oog te schatten, maar een zintuig om de hoeveelheid water onder de kiel te
bepalen bezit de mens niet. Met het alarmsignaal op 4 meter hadden we steeds net genoeg tijd
om overstag te gaan.
Na St Philipsland stoven we door naar de Grevelingen. Bij sluizen gebruikten we zelden meer
dan twee keer een motorminuut. Eerst zo lang mogelijk zeilen en eventueel zeilend aanleggen,
dan een minuut vol gas om de sluis in te varen en weer een motorminuut om de sluis te verlaten.
Andere watersporters en ook sluis- en brugwachters keken nogal eens verbaasd op, want het
ene moment vol gas en het volgende moment met een niet in het werk staande stationair
draaiende motor en half gehesen zeilen vaart proberen te maken, wekte niet de indruk van
vakkundig zeemanschap.
Op de Grevelingen ging het nog wat harder waaien en bovendien bij vlagen stortregenen.
De zuidwestenwind maakte het mogelijk het verplichte rondje rondom alle eilanden vrijwel
geheel bezeild te maken. Met die windsterkte ging dat zeer snel. Slechts een stukje moest
er opgekruist worden van Ouddorp naar Port Zeelande. We roken kansen om nog voor 18.00 uur
de Grevelingen te verlaten, daarna zou de sluis bij Bruinisse tot 8.00 de volgende dag dicht
blijven. We hadden nooit gedacht deze dag zo snel zoveel te varen en zoveel havens aan te
doen, want ook Den Osse en Herkingen werkten we die middag nog af.
De smalle haveningang van Herkingen konden we, na het rondje Grevelingen, zowel in als uit
zeilen, iets wat voorafgaand aan het rondje niet gelukt zou zijn met de toen heersende
windrichting. Om tien voor zes meerden we af voor de sluis van Bruinisse, maar ondanks
een oproep over de marifoon en een vriendelijk persoonlijk verzoek op de sluis, was de
sluiswachter niet te vermurwen. De sluis draaide niet meer, de volgende ochtend zouden we
de eersten zijn. Daar zaten we 14 uur vast op de Grevelingen, terwijl we niet verplicht
waren meer dan 8 uur nachtrust te nemen. Ondertussen was wel duidelijk dat het geen probleem
zou zijn de gehele tocht uit te zeilen, maar zolang vastzitten viel wel even tegen. Een
uurtje later in de warme droge kajuit, achter een bord rode kool met rookworst en buiten
stortregen en onweersbuien vonden we onze verplichte langere rusttijd ineens niet meer zo
heel erg.
Maandagochtend zag het weer er eindelijk eens uit als een echt lekkere zeildag: heldere
hemel, een zacht windje, en een voorspelling met wat meer wind uit het noordwesten. Dat
zou zeer gunstig zijn, want dan zou de tocht naar het Hollands Diep, die voor deze dag op
het programma stond, zowel heen als terug bezeild zijn.
Vol goede moed wrikten we dan ook naar brug en sluis toen die open gingen. De sluiswachter,
die de brug op ons verzoek zo snel mogelijk na achten draaide, kon ons gewrik niet waarderen.
Hij had immers ook met het autoverkeer in de maandagochtendspits tussen Rotterdam en Zeeland
te maken. We moesten er dan ook nog een motorminuutje tegenaan gooien om onder de zakkende
brug door de sluis in te komen en realiseerden ons dat niet iedereen het op prijs stelt dat
we ons zoveel mogelijk zonder het gebruik van een motor probeerden voort te bewegen. Maar
goed, we werden geschut en bevrijd van de Grevelingen. De Krammer- en Volkeraksluizen
draaiden zowel heen als terug wonderbaarlijk snel, zodat we na het verplichte bezoek aan
Numansdorp en een rondje over het Hollands Diep, tegen zonsondergang weer de Oosterschelde
opzeilden. Waar we een beetje op gegokt hadden kwam goed uit: stroom mee door het Zijpe en
de Keeten. De voorspelde noordwestenwind was niet gekomen, na waarschuwingen noordwest 6 en
oost 6, werd het uiteindelijk zuidwestenwind en moesten we aan de wind de Oosterschelde over
tot aan het Veerse Meer. Op een willekeurige maandag in september, met zuidwest 6 en vlak
voor zonsondergang is daar geen schip meer te bekennen. Alleen een bergingsvaartuig koos
positie om snel ter plekke te kunnen zijn als een onfortuinlijke schipper in problemen zou
raken. Als het water dan wonderbaarlijk vlak blijft, de hemel door een openbrekende bewolking
schitterend rood-oranje-goud kleurt en de snelheidsmeter moeiteloos zes, zeven knopen aangeeft
weet je weer heel precies waarom zeilen zo prachtig is. Zelfs een pan mexicaanse bonensoep
die op dat moment van het fornuis afspringt kan dan de pret niet drukken.
De Zandkreek, de toegangsgeul naar het Veerse Meer, bereikten we toen het aardedonker was.
Ook nu bood de dieptemeter weer uitkomst, want de Zandkreek is smal en in de wind en de
meeste boeien zijn niet verlicht. 's Avonds meerden we af in Wolphaartsdijk, de thuishaven
van de Losbol en de laatste verplichte haven die we aan moesten lopen. We hadden toen nog
een hele dag om met zo weinig mogelijk motorminuten Vlissingen te bereiken.
Een harde zuidwestenwind maakte een snelle tocht over het Veerse Meer mogelijk, maar was
problematisch om zonder motor het kanaal door Walcheren te bevaren. Een paar uur wachtten
we aan het begin van het kanaal of de voorspelde winddraaiing wilde komen, maar toen dat
niet het geval was probeerden we of een kieljacht met 15 meter windvang bovenop tegen de
wind in was te jagen. Het eerste probleem was aan de kant komen, want de oever liepen
schuin af en twee meter kiel is dan een heleboel. Over een spinakerboom midscheeps dwars
uitgeboomd, lukte het net de kant te bereiken. Een lange lijn halverwege de mast bevestigd,
scheerde over de vele struikjes die de oever begroeien, sinds er de laatste vijftig jaar
niet meer gejaagd wordt in dit kanaal. Waar er geen bomen langs het kanaal stonden lukte
het nauwelijks de boot tegen de wind in te trekken, dus moesten er toch weer motorminuten
gebruikt worden. Toen er verderop een lange bomenrij langs het kanaal stond en het kanaal
niet meer precies in de wind was, zodat het aan een oever iets beschutter was, lukte het
wel om te jagen. We haalden een snelheid van een kilometer of drie per uur en verdienden
met een half uur jagen 10 motorminuten terug. Bij de vele bruggen moesten we toch weer
op de motor, want de inrichting van het kanaal was in het geheel niet afgestemd op het
moderne jaagwerk. Door alle gedoe met het jagen merkten we nauwelijks dat het de hele
tijd aan het regenen en miezeren is. Het werd pas droog toen we de jachthaven van Vlissingen
invoeren. We kwamen als eerste binnen, een uur of vijf voor de vier keer 24 uur verstreken
waren. De aankomst was al even onwerkelijk als het vertrek, toen we zo lang mogelijk bleven
liggen. Er was niemand bij de finishlijn of in het clubgebouw, waar we ons journaal en
reisverslag in moesten leveren. Eerst maar weer even telefoneren dus, waarna we een uurtje
later onze spullen in konden leveren.
In het clubhuis hingen kaarten aan de muur, waar de organisatie op had bijgehouden waar
de schepen zich allemaal de afgelopen vier dagen bevonden. Met verschillende kleurtjes
waren de routes bijgehouden die op de verschillende dagen waren gevaren. Een aantal
schepen moest ook al vlak bij de finish zijn, maar anderen zouden het niet meer halen,
terwijl er ook nog enkelen onderweg waren naar Ellewoutsdijk. Daar was het op dat moment
hoogwater en lagerwal, met windkracht zes. Het kon niet anders dan dat daar de golven
over de pieren sloegen. We waren blij dat we daar niet meer naar toe hoefden.
Even later liepen andere schepen de haven binnen. Eindelijk zagen we na vier dagen onze
tegenstanders, nadat we ieder allemaal voortdurend andere routes hadden gevaren. Ieder
zat vol verhalen over nachtelijke uren, strekdammen en droogvallende havens. De jury moest
aan de slag met alle reisverslagen en proberen vast te stellen of ieder aan de opdrachten
had voldaan en wie dat het beste had aangepakt. Op de uitslag zouden we nog een tijd moeten
wachten. Die was er pas in november, tijdens een overheerlijke mosselmaaltijd.
Moe maar voldaan keken we terug op een paar prachtige zeildagen. Veel en lang doorvaren,
dat is wat we wilden en gekregen hebben. Als het even kan zijn we volgend jaar weer van
de partij.
Zeilen over Maas, Waal en Rijn
Na eerdere jaren de Maas en de IJssel bevaren
te hebben, bedachten we dat in de zomer van
1996 een tocht over de Rijn aan de beurt was.
Zeilen op de rivieren was ons tijdens de eerdere
tochten uitstekend
bevallen. Hoewel we heel wat stukken moesten kruisen,
waren er toch altijd ook vele kilometers waar de wind
gunstig was, zodat met bezeilde
koersen genoten kon worden van het voorbij trekkende
landschap en de vele steden en dorpjes op de oevers.
Ons was vooral opgevallen dat er nauwelijks gezeild
wordt op de rivieren. Dat is natuurlijk ook niet met ieder soort
boot gemakkelijk, maar zelf varen we met een Valk,
een open zeilboot van 6.5 meter die zeer wendbaar is en een
makkelijk strijkbare mast heeft, zodat alle barrires
te nemen zijn. De boot is net groot genoeg om op meerdaagse
tochten onder het dekzeil te overnachten, zelfs met
twee kinderen en twee volwassenen. Ook hadden we op eerdere
tochten ontdekt dat er, naast vele leuke haventjes,
altijd weer prachtige plekjes te vinden zijn om te overnachten:
zand- en grindgaten, oude stukken rivierarm, etc.
Vaak vonden we doodstille plekjes waar we ons in de laatste
wildernis van de lage landen waanden, temidden van
vogels, vissen en mooie zomeravonden. De tochten over Maas
en IJssel waren voorgaande keren ge'indigd in respectievelijk
de Biesbosch en Friesland en nu wilden we opnieuw
proberen de Biesbosch vanuit Roermond te bereiken, maar
nu via Maas, Maas-Waalkanaal, Waal, Pannerdens
Kanaal, Neder-Rijn, Lek, Merwedekanaal en de Boven-Merwede.
Voor zover we aan andere watersporters duidelijk maakten dat
we, als onderdeel van de tocht, een stukje over de
Waal wilden gaan zeilen, werd er enigszins verwonderlijk
gereageerd: dat is toch onverantwoord met een open
zeilboot. Maar over de Waal mag dan aanmerkelijk meer
en grotere scheepvaart gaan dan over Maas en IJssel,
de rivier is ook veel breder. En bovendien waren we
van plan maar een klein stukje over de Waal te gaan, van
Nijmegen naar het Pannerdens Kanaal. Daarna was het
plan de Rijn af te varen langs Arnhem, Wageningen,
Culemborg, etc. Wel zouden we het kleine stukje Waal
stroom tegen hebben, maar volgens ons moest dat goed te
doen zijn. Om toch zo goed mogelijk voorbereid aan de
tocht te beginnen besloten we wel eindelijk de
buitenboordmotor te vervangen, want de oude Seagull,
begon na jaren trouwe dienst wel erg veel lawaai en olie
te produceren en vereiste steeds veel kunst- en vliegwerk
om op het juiste moment voorstuwing te leveren.
Uiteindelijk vertrokken we op een grijze maandagochtend
uit de haven van Maas en Roer. De wind was West,
met een kleine neiging naar Noordwest. Tot aan Venlo was
dan ook vrijwel alles bezeild en slechts in een enkele
bocht moest de nieuwe 'tor' bij om passerende
beroepsscheepvaart voldoende uit de buurt te blijven.
Venlo vonden we niet aantrekkelijk genoeg om te overnachten,
zodat we met een ondertussen wat steviger en naar het
Noordwesten gedraaide wind opkruisten tot aan Leukerheide.
We hadden daar eerder gelegen en dat was ons goed bevallen,
maar hadden nu zelfs, nu het weer wat kouder was, de hele
voorhaven voor onszelf.
De volgende ochtend was de wind toch echt in de Noordwest
hoek gaan zitten. Dat zou dus weer een heel eind kruisen worden,
maar we konden ons troosten met de gedachte dat er in ieder geval
genoeg wind was. Hoewel het niet echt nodig was, zetten we toch
maar de fok in plaats van de genua, zodat overstag gaan steeds
een stuk makkelijker was.
Nu is opkruisen op een rivier geen probleem met een Valk,
de slagen die je kunt maken zijn lang genoeg en het beetje
stroom dat er is, helpt je de goede kant op. Maar als er zoveel
wind is dat je redelijk helling maakt, wordt het tussen twee
keer overstag gaan door boterhammen smeren toch wat onhandiger.
Maar ook daar kun je vaardigheid in ontwikkelen en met een thermosfles
koffie bij de hand hoef je uiteindelijk niets te kort te komen.
Langzaamaan verandert het landschap als je van Venlo naar Cuijk vaart.
Eerst vaar je echt nog in een rivier die zich tussen lage heuvels
door een weg baant, maar dichterbij Cuijk wordt het landschap
duidelijk vlakker en verschijnen de eerste kribbetjes in de rivier.
En plotseling is er dan, na een bocht in de rivier, het mooie
gezicht op Cuijk met zijn karakteristieke torens. De Romeinen
schijnen op deze plaats al een brug over de Maas gehad te hebben,
waar onlangs nog resten van de fundamenten van zijn gevonden.
We varen daar overigens aan voorbij en zoeken een plekje voor
de nacht op de Mookerplas.
Die nacht sliepen we niet best. De volgende dag wilden we de
Waal over en de voorbereidingen en ons zelfvertrouwen ten spijt
vroegen we ons toch af hoe diep de kuilen zouden zijn die de
duwvaart trekt en of de golven niet onze open kuip in zouden
rollen ... Misschien dat we toch nog iets van een dekzeil of
zo over de kuip moeten spannen?
De weervoorspelling voor onze 'oversteek' was uitstekend.
De verwachting was een stevige Noordwestenwind. We moesten
dan wel torren op het Maas-Waalkanaal, maar op de Waal was
dan alles bezeild. De volgende ochtend braken we dan ook
snel op en in een druilerig regentje gingen we mechanisch
voortgestuwd tegen de wind in het kanaal door. Gelukkig
hing er een soepel lopend modern motortje achter, de Seagull
was ongetwijfeld in staat geweest het hele schip uit elkaar
te laten trillen.
Rond twaalven passeerden we de sluis bij Weurt en voelden
ons toch wel een beetje nietig tussen de grote industri'le
complexen op de oever en de vrachtvaart die toch wel van
een ander formaat is dan wat er tussen Roermond en Linne
vaart. Maar er stond een prima wind en het zonnetje brak
door. We draaiden rond het havenhoofd Oostwaarts en constateerden
dat we vrij gemakkelijk voor de wind tegen de stroom in konden
zeilen. Toen we de fok vervingen door de genua ging het nog
beter. De stroom was wel duidelijk meer dan we hadden verwacht
en schatten we op zo'n 5 kilometer per uur. Maar zelf maakten
we er wel 8 a 10, dus naderden we al snel de Waalkade van
Nijmegen.
De eerst duwbakeenheid was ondertussen ook gesignaleerd en
kwam ons stroomopwaarts zwaar ploeterend achterop. Hard gaat
dat niet en ondanks dat de eenheid zwaar beladen was trok de
combinatie nauwelijks golven. We hielden heel kort de
stuurboordswal. Er was dan voor andere schepen zoveel ruimte
dat we niet het idee hadden enige hinder te veroorzaken.
Wel hadden we het idee dat er ten gevolge van de stroom golven
in de rivier ontstonden, net als in de kleine geultjes op het
strand, waardoor het water bij eb naar zee spoelt. Alleen
bereikten de golven hier hoogten van 30 tot 40 centimeter.
De druk in de zeilen was echter groot genoeg en de golven
waren lang genoeg, zodat het een spectaculair effekt was
die golven op en af te varen.
Bij Nijmegen zijn er twee bruggen over de Waal. De eerst, 228
meter breed en 23 meter hoog was geen enkel probleem. Maar bij
de tweede viel de wind wat weg en bovendien is de stuurboordswal
die we hielden de buitenbocht van de rivier, waar de stroom
heel wat harder loopt. De snelheid door het water bleef prima,
maar de brug kwam toch maar erg langzaam naderbij.
Op dat moment werden we achterop gelopen door een politieboot
(volgens de reglementen is zeilen op de Waal toegestaan, zij
het dat kruisen niet mag en er een startklare motor moet zijn).
'Waar moet dat heen' was de eerste vraag. Die was makkelijk:
'Naar het Pannerdens Kanaal' antwoordden we. 'Zou dat wel gaan'
was de volgende vraag. Ja, dat was dus wel de bedoeling en
waarom zou dat niet lukken. Blijkbaar was dat voldoende want
meer vragen kwamen er niet. Om duidelijk te maken dat we echt
over hulpkrachten beschikten als het er op aan zou komen,
startten we het buitenboordmotortje even, de snelheid over
de grond was ondertussen immers toch tot vrijwel nul gereduceerd.
Zo'n 100 meter verder zaten we weer volop in de vrije wind en
maakten we zeilend weer genoeg snelheid om stroomopwaarts te
geraken, zodat we weer verder gingen zonder motorkracht.
De politieboot bleef nog een tijdje op zichtafstand, maar
zag blijkbaar ook dat alles prima verliep en richtte zich
dan weer op andere zaken.
Daarna beleefden we een fantastische zeiltocht. De zon brak
echt door, de wind was Noordwest, krachtje 4 en we stoven
over het water. De oevers gleden aan ons voorbij. Tussen de
kribben zijn enorme stranden, waarachter de Ooijpolders
liggen. De oevers zijn vrij hoog, zodat de stranden bijna
duinen lijken. We zagen een groep paarden lopen die blijkbaar
als grote grazers ingezet worden om hier de natuur te beheren.
De woestenij op de kant gaf ons opnieuw het gevoel dat
'de grote rivieren' de laatste grote wildernis van Nederland
zijn. Wat ons betreft mogen al die plannen die de Natuur hier
nog meer ruimte willen geven direct doorgaan.
Het stuk Waal dat we over moesten van Nijmegen naar het
Pannerdens kanaal is tevens het bochtigste stuk van de rivier in
Nederland. We moesten twee grote lussen door, dus twee keer een
binnenbocht en twee keer een buitenbocht. In de binnenbochten is
de stroom aanmerkelijk minder en zijn de ondiepten met boeien
aangegeven. De boeien zijn van het formaat dat ook op zee niet
zou misstaan en sleurden aan hun kettingen door het water.
De buitenbochten (we bleven steeds krap onder stuurboordswal)
kwamen we minder snel door. Veel vrachtvaart pakt de 'verkeerde
kant', zodat ze stroomafwaarts in de buitenbocht zitten en
stroomopwaarts in de binnenbocht en op die manier het meeste
profijt of de minste last van de stroom hebben. Niet alle
schepen varen echter even snel, zodat men elkaar regelmatig oploopt.
Als dat gebeurt als ze aan de verkeerde kant zitten, blijft er niet
zo heel veel ruimte meer over tussen het oplopende schip en de wal
maar we bleven krap onder de kant en redeneerden dat we minder diep
steken dan de vrachtvaarders zodat ons niets kon overkomen. Eenmaal
echter liepen drie schepen elkaar tegelijkertijd aan de verkeerde
kant op en omdat dat nu eenmaal in een bocht gebeurt, leek de ruimte
die ons gegund werd wel erg krap te worden. Op het laatste moment
draaide het snelste schip echter keurig met de rivierbocht mee en
bleef er nog genoeg vaarwater voor ons vrij. We moesten er niet aan
denken tussen dat soort verkeer door ook nog naar de andere kant
over te moeten steken. Krap onder de wal blijven houdt alles goed
overzichtelijk.
Overigens was het maar op enkele momenten wat drukker. Het grootste
deel van de tocht hadden we het gevoel alleen op de rivier te varen.
We schoten dan ook goed op. De 20 kilometer Waal legden we in 4 uur
af. Op het Bijlandskanaal aangekomen zette de wind wat extra door.
De rivier is daar zeer breed en het stroom tegen windeffekt zorgt
er voor dat er lange golven gaan lopen, die we op en af zeilen.
Dergelijke golven maakten we zelden mee op binnenwateren en we
kregen nu echt het gevoel dat we heel ergens anders zatten.
Na een rif gestoken te hebben en de genua voor de fok verwisseld,
draaiden we aan de wind en staken het Pannerdens kanaal in en
kregen weer volop stroom mee. Korte tijd later vonden we dan ook
een prachtig plaatsje voor de wal in het Gat van Moorlag.
's Avonds viel de wind weg en genoten we na van een toch wel
spectaculaire tocht. We constateerden dat, mits goed voorbereid
en onder gunstige omstandigheden zeilen op de Waal goed mogelijk is.
De verhalen over de enorme golven die door de vrachtvaart veroorzaakt
worden, kunnen we nu aardig relativeren. Misschien dat schepen die
op de motor varen daar veel meer last van hebben dan een schip dat
door de winddruk in de zeilen als het ware vastgehouden wordt.
Voor ons was het een hoogtepunt in de zeiltocht die we vervolgens
voortzetten langs Arnhem, Wageningen en ons uiteindelijk in de
Biesbosch brengt. Rivierzeilen is echt prachtig.
Rond de wereld in een virtueel zeiljacht
Afgelopen september is de 'Whitbread Rond De Wereld Zeilrace' gestart in
Southampton. Iedere watersporter zal daar op de een of andere manier wel
wat van gemerkt hebben. Tien supersnelle zeiljachten van zo'n 18 meter zijn
uit Engeland vertrokken en varen in 9 etappes de wereld rond. Daarbij doen
ze Zuid-Afrika, Australi, Nieuw Zeeland, Uruguay, de Verenigde Staten en
Frankrijk aan, om eind mei 1998 weer in Engeland te finishen. Onder de
deelnemers is ook een Nederlands jacht, de BrunelSunergy. De eerste vier
etappes waren de resultaten van onze vaderlandse trots nog niet zo best,
maar er wordt tenminste volop meegestreden door een Nederlandse deelnemer
in deze spectaculaire race.
De race is vooral spectaculair omdat de jachten zeer aan elkaar gewaagd
zijn. Het zijn high-tech schepen, superlicht en razendsnel, vol met moderne
elektronica om zo hard mogelijk te gaan. Snelheden tot 35 knopen (ongeveer
60 km per uur) worden gemeld en het 24-uurs record voor een monohull is in
de etappe van Kaapstad naar Fremantle aangescherpt tot 448 zeemijl
(ongeveer 800 kilometer) door de Engelse deelnemer Silk Cut. Dat de schepen
nauwelijks voor elkaar onderdoen bleek bij de finish van de etappe van
Fremantle naar Sydney, toen alle schepen na 9 dagen varen binnen anderhalf
uur finishten.
Internet
Een noviteit bij deze race is dat het verloop voortdurend per computer via
internet is te volgen. Iedere paar uur worden de posities van de schepen
via satellieten naar de wedstrijdorganisatie doorgegeven, die ze direct op
het internet zet, zodat onmiddellijk te volgen is waar de schepen zich
bevinden en wie er goed en slecht gaat. Ook allerlei andere informatie is
beschikbaar, zoals de actuele weersomstandigheden en de verwachtingen voor
de eerstvolgende dagen. Veel daarvan wordt zeer overzichtelijk op kaartjes
weergegeven. Daarnaast sturen alle schepen dagelijks een kort bericht naar
de wedstrijdorganisatie (een e-mail) dat ook te lezen is en soms worden er
foto's of video-opnamen doorgeseind, die ook allemaal via het internet naar
de thuiscomputer zijn over te halen en te bekijken. Toen een van de schepen
ten zuiden van Australi meldde dat de spanningen op de mast te hoog waren
en het onderste deel aan het verkreukelen was, was dat binnen een paar uur
te zien op de overgeseinde foto.
Meedoen
Als je al die informatie zo snel beschikbaar hebt en je de race een beetje
gaat volgen wordt je er al zeer snel door gegrepen en wil je van dag tot
dag gaan volgen hoe de deelnemers het doen. Maar de organisatie van de
Whitbread heeft het nog aardiger gemaakt, want je kan ook zelf meedoen en
wedstrijdzeilen. Je vaart dan natuurlijk niet echt, maar via je computer.
Je gaat 'virtueel' de wereld rond. Zelf ben ik op die manier van Kaapstad
via Fremantle en Sydney naar Auckland gevaren en ben nu onderweg in de
vijfde etappe naar San Sebastiao in Brazili.
Wind zoeken
Het idee achter de virtuele race is dat alle schepen in gelijke
omstandigheden even snel gaan. In de realiteit blijkt dat ook zo te zijn.
Als de schepen eenzelfde route varen, blijven ze voortdurend zeer dicht bij
elkaar. Wil je dus eerder finishen dan een ander, dan zal je goed naar de
ontwikkeling van de weersystemen moeten kijken en de plaatsen op moeten
zoeken waar je de gunstigste wind kunt vinden. In de rele race zie je ook
steeds dat de schepen die het beste rekening houden met het weer voorop
komen. Soms varen ze een eind van de kortste route vandaan, vinden dan meer
wind of een gunstiger windrichting en lopen dan uit op de concurrentie.
Koers uitzetten
Als virtuele deelnemer zeil je niet zelf in de zin dat je schoten of een
roer moet bedienen, maar je moet de koers aangeven die je wilt varen. Je
kunt dat voor een langere of kortere periode vooruit doen. Als je geen
koers opgeeft, dan vaar je vanzelf de kortste route, maar die is dus niet
altijd de snelste. De koers die je wilt varen geef je aan op je
thuiscomputer en wordt via het internet doorgeseind naar de
wedstrijdorganisatie.
Iedere zes uur wordt door de wedstrijdorganisatie voor alle virtuele
deelnemers berekend waar ze zich zouden bevinden, als er volgens de
opgegeven koers zou zijn gevaren, met de weersomstandigheden zoals die in
werkelijkheid ter plaatse waren. Zodra dat gedaan is wordt dat bekend
gemaakt en kun je gaan kijken hoe je het doet ten opzichte van de andere
virtuele deelnemers, maar ook ten opzichte van de rele deelnemers.
Vervolgens kun je je koers al dan niet aanpassen en na zes uur wordt alles
weer doorgerekend en worden de nieuwe posities weer bekend gemaakt. Dat
blijft zo de hele etappe doorgaan, desnoods dertig dagen lang, de tijdsduur
van de eerste etappe.
Om je koers te bepalen beschik je over dezelfde weervoorspellingen als de
rele deelnemers. Je kunt het actuele weer opvragen, de verwachting voor de
komende 12 uur, of voor 1 of meerdere dagen vooruit. En je ziet natuurlijk
hoe al je concurrenten het doen, waar je ook zo het nodige uit af kunt
leiden.
Duizenden deelnemers
In totaal doen er zo'n 5000 virtuele deelnemers mee en die komen van alle
plaatsen in de wereld. Het is ontzettend leuk om te merken dat als je je
koersen doorgeeft, je net als de rele deelnemers eerst wat toe moet geven
om goede wind te vinden, maar zodra je die te pakken hebt een geweldige
hoop schepen in kan halen. Zo zakte ik een keer naar de 4800-ste plaats aan
het begin van een etappe, maar kroop een paar dagen later weer naar de
1200-ste toen de wind die ik verwachtte eindelijk de goede kant uitdraaide.
Naast het aangeven van de koersen zijn er nog een paar dingen waar je
keuzen uit moet maken. Voordat je start in een etappe moet je namelijk
bepalen of je wilt varen met een schip dat het vooral goed doet op aan de
windse koersen, of op een schip dat het vooral ruimwind goed doet of met
een allround schip. Feitelijk dezelfde keuzen als die waar de echte
deelnemers voor stonden. Ook moet je een risicofactor instellen. Stel je
die hoog in, dan ga je harder, maar je hebt ook meer kans op pech. Het is
mij bijvoorbeeld overkomen dat een winch kapot ging en het grootzeil
scheurde en dan wordt je virtueel een tijdje stilgelegd om de boel te
repareren. Van al die gebeurtenissen wordt keurig verslag gedaan in
overzichtelijke lijstjes.
De eerste etappe lukte het me niet om op tijd in te schrijven, maar de
tweede, derde en vierde etappe heb ik meegedaan en finishte respectievelijk
op de plaatsen 1359, 1650 en 1598.
Lekker thuis
Als enthousiaste plassenzeiler die ook nog wel eens een enkel keertje zee
opgaat vind ik het via internet volgen en virtueel meedoen aan de Whitbread
geweldig leuk. Door de grote hoeveelheid informatie die je krijgt heb je
het gevoel er bovenop te zitten, het virtueel meeracen verhoogt de
betrokkenheid enorm en heeft soms precies dezelfde problemen als het echte
wedstrijdzeilen: durf je een afwijkende slag te maken om in een gunstiger
positie te komen of is dat te riskant en volg je de massa?
Het voordeel is dat ik lekker warm thuis zit en me niet hoef af te beulen
in kletsnatte en ijskoude omstandigheden, maar toch het gevoel heb een
beetje mee te doen.