Reisverslag van een reis per motor en tent naar en door
IJsland.
17-Augustus 2002 t/m 13-September 2002
Wat ik zoal meenam:
Motor Kampeervoorzieningen Paklijst Andere voorzieningen
Dag 1 KM 45150
Van Sittard naar camping Vadehavs Denemarken
Vertrek uit Sittard na een niet al te goede nachtrust. Maar het uitzwaaicomité was er wel! Kopjes koffie voor Jan en Nathalie.
Toch nog even bij Pa en Ma langs en om 9.15 slinger ik mezelf in het zadel. Er is mooi weer voorspeld, dus geen zorgen. Bij Neuss (46) ging het toch al mis: ik kon niet zien waar de 46 verder gaat, dus zit ik al snel in het centrum. Halfuurtje zoeken en toen de 57 genomen naar Köln Die sluit een stuk verder ook aan op de 46. En van daaraf op de 1 naar Hamburg. Nog even de gribus uit en feesten maar. De motor is OK.
Wat volgt is allerlei ‘uneventfulls’ tot Denemarken. Na de grens weer meteen flappentappen, want hier werkt de Euro niet meer. Ik neem de eerste weg links naar de kust, want 2 dagen en een ochtend om tot Hanstholm te komen is erg ruim genomen. Een klein dorpje zou een camping aan zee hebben, en verdomd, de kaart heeft gelijk. Al genoeg muggen, dus na het tentje bouwen direct smeren.
‘Vadehavs’ is een leuke camping en ik deel het veld met wat andere motorrijders. Avondeten beperk ik tot een broodje kaas en worst en een peer. Vanmiddag voor de grens had ik al een ‘bockwurst’ met brood en ‘senf’ genomen. In het gekwetter van wat vogeltjes zit ik naar een zonsondergang op zee te kijken. Een precies halve maan staat mooi in het zuiden. De zee is prachtig, maar helaas zonder echt strand. Aan het water komen is er niet bij, maar op de dijk staat een hele kudde schapen en in de verte een lange rij windmolens voor stroomvoorziening. Het is horizonvervuiling, maar het heeft wel wat. In de verte koerst een veerboot richting Noorden. De hele dag is het behoorlijk wam geweest, en ik heb dan ook al heel wat gezweet. Intussen komen er flink wat andere wandelaar de dag gedag zeggen. De avond kleurt rood over het wad. Voor de kust ligt een rij eilanden, en de zwaluwen jagen ‘en masse’ op de zekere voorraad beesten. Juist komt de paardentram aan, met mensen met van die ‘vakantieblije’ gezichten. Waarom niet altijd, als het zo herkenbaar is?
Intussen is de zon door een gaatje in de wolken onder het land gezakt, Een magisch moment dat door de ‘laatkomers’ niet meer op z’n waarde geschat wordt. De herriemakers!
Dag 2
Van Vadehavs camping tot Klitmöller
Vroeg op! De zon stond al op m’n tentje te bakken. Nog helemaal alleen aan een kleine 'tour de camping' begonnen, maar niet voordat ik de koffie van gisteren opgewarmd had. Ik maak wat foto’s en ontdek het kinderboerderijtje. Daar ontdekt de opperbok mij ook, en zet het op een schreeuwen voor voer. Ook als ik allang weer weg ben blijf dat zo. Een Duitse motorrijder is ook al wakker en we drinken samen koffie. Het inpakken was snel gepiept, en een dag langs de toeristische westkust kan beginnen. Nergens echt spectaculair, behalve misschien de laatste kilometers tot aan Klitmöller. Daar zijn de duinen een stuk ruiger. De reis langs de kust verloopt voorspoedig, en als ik dat geweten had, dan had ik ook een dag later kunnen vertrekken. Maar het rondlummelen in kleine vissersplaatsjes beviel wel. Beetje zitten hier, kijkje nemen daar, ijsje eten. O krijg je de dag wel om, zelfs zo goed dat ik liggend op een bankje op een parkeerplaats zelfs een uurtje de ogen dicht deed.
Van de twee campings in Klitmöller is alleen de eerste de moeite waard. De tweede heeft slechts een blakerveldje voor kampeerders, waar je in slagvolgorde op mag staan. Deze heeft leuke inhammen, en voor ieder plekje een beetje privacy. Dadelijk eens een echte maaltijd, want dat mag wel na twee dagen zweten. Onderweg heb ik nog een afwaterende sluis en een oud bemalingssyteem bekeken. Niet indrukwekkend, maar wel leuk, en in overeenstemming met mijn indruk van dit land.
Eindstand van vandaag: 46140. Dus 1000 km van Sittard naar Hanstholm.
Dag 3
Van Klitmöller tot ergens op zee....
Lekker geslapen. Gisteravond kreeg ik een uitnodiging van en familie Fransen om wat te kletsen en te drinken. Maar toch redelijk op tijd naar bed, want de kindertjes moesten ook slapen. Ik sta in alle rust op, ontbijt een meegenomen eitje en ga stevig douchen. De tent is net als gisteren kletsnat, maar na twee uurtjes zon is dat wel weg. Hanstholm is dichtbij en ik ga maar eens een kijkje nemen in de haven. Behalve een scooter en een motor staat er niets. Ik ga de stad maar eens in om wat inkopen te doen voor de boot, en drink intussen even een halve liter mineraalwater zonder enige moeite weg. Dan besluit ik het onverwacht interessante bunkermuseum te bezoeken, maar om 15 uur ben ik wel uitgekeken. Dan maar met een boek in de haven gaan zitten, dacht ik zo. Maar daar is de hel intussen losgebarsten. Overal auto’s, fietsen, bussen. Er staat al een hoop ‘spul’ op de kade. Veel Nederlanders, veel 4x4, maar nog steeds maar 3 motoren. Half 4 en de Hollanders staan al in de rij om het schip op te mogen, maar er is nog geen schip te zien. Oef, dat is dom geklets, het ding is zo groot dat ik er bijna dacht dat het de wand van een pakhuis was. Ik ontmoet een Duitser en een Zwitser, Björn en Andreas. Björn is degene met de scooter, Andreas heeft een Yamaha Téneré. We kletsen een hoop. Andreas heeft net een wereldreis achter de kiezen, en gaat nog even naar IJsland bij bekenden op bezoek. Björn is al eens op IJsland geweest met zijn scooter (ook al naar de Noordkaap !) We kruipen op een gegeven moment voor, en staan voor het schip te wachten. Maar de eerste gedachte om als eerste aan boord te kunnen wordt door het hoofd belading de grond ingeboord. Wij gaan als laatste. Het lange wachten begint.
Die Faeröeristen doen alle moeite om het zo lang mogelijk te laten duren. Als de ferry’s naar Noorwegen er zo lang over deden dan kostte het wachten en rommelen meer dan de overtocht. De zon is al onder als we aan boord gaan. De motor wordt op de zijstandaard in een hoekje gepropt en met weggeklapte spiegel tegen de zijwand aangesjord met de riemen die ik zelf meegenomen had. Drie riemen moeten voorkomen dat ie ervandoor gaat. Ik hoefde slechts de rugzak mee naar boven te nemen, omdat ik alles wat van belang was ’s ochtends al in daarin omgeladen had. Aangezien ik een hut met drie anderen deel, hoef ik geen beddengoed en handdoeken ed. mee te nemen. Kost wel wat, die luxe. Ik ben niet helemaal gelukkig met de hut. Helemaal voor en onderin en erg krap.
Dan zijn we tenslotte met 6 motorrijders, en maar 5 motors. Andreas heeft zijn motor niet mee aan boord gekregen, omdat ie zo laat probeerde passage te krijgen. Hij moet het ding op het vrachtschip naar Torshaven zetten, en dat terwijl er eigenlijk genoeg plaats bleek te zijn.
2 Duitsers, twee Duitsen, een Zwitser, en een Nederlander!
Ik deel mijn hut met een man van de Faeröer en twee Tsjechen, die de hut de hele reis amper uit zullen komen.
Dan is daar het vertrek. Veel gezwaai op de kade, een in de verte verdwijnende haven en de eerste vage gevoelens van golfjes....
Na het uitpakken ga ik maar eens rondkijken en vind andreas en björn al aan een maaltijd. Ik doe mee en daarna gaan we een uurtje naar de bar met live muziek. Het is het aanhoren niet waard, dat quasi Engels wat gezongen wordt. Je hebt slechts een flauw idee wat er gezongen wordt, ware het niet dat alle nummers oude krakers waren.
Na twee potjes bier is het tijd voor bed, want het leefritme is al aangepast aan de natuurlijke orde. De hut is stikkend heet, en omdat blijkbaar niemand goed naar het plafond gekeken heeft wordt de luchtverversing niet ontdekt en op ‘fris’ gezet. Het is een stuk rustiger als ooit een eerdere overtocht naar Newcastle upon Tine (GB), dus nu hoor ik alleen de lichte snurk van mijn bovenligger...
Dag 4
Volle zeedag
Op zee! Ik wordt wakker van een zot met een wekker op 7.15. Blijkt achteraf dat het een vader is die de zorg voor de kinderen serieus neemt. Aangezien vrouwen en kinderen, en de mannen gescheiden worden, in de hutten althans, moet hij bij ons overnachten, maar nu wordt het gezin herenigd. Dan maar opstaan, wat wassen en op zoek naar koffie. Dat valt tegen, want ‘ship time’ is een uur vroeger dan Deense tijd, en dus duurt het nogal lang voordat de koffie geserveerd wordt. Dat zijn achteraf mijn zwaarste uren tijdens de overtocht. Intussen raakt het reisgenootschap weer kompleet en komt er koffie. Dan wil Björn weer naar bed, want die heeft na 3 halve liters van gisteren nogal wat moeite. Die jeugd: moet de verantwoorde consumptie van alcohol nog leren...daar zouden diverse IJslanders en Faeröeristen iets van kunnen leren.
De dag kabbelt er een beetje op los, eens hier kijken, eens daar kletsen, wat lezen en langzaam wordt het avond. De hele dag is er zon geweest, de zee lekker rustig, dus er is geen reden tot ongerustheid. Vanavond weer zo’n 'dagens menu' voor 70 Dkr, slechts één pilsje, en goed slapen. Morgen wordt ik in Torshaven verwacht. Ik ben benieuwd hoe daar zal zijn, Toch zeker een stuk frisser dan in Denemarken. De scheepsjongens zijn zeer divers. Van busladingen Tsjechen tot 4x4 Nederlanders, Fransen en Duitsers, en dan uiteraard een handjevol IJslanders, retour van vakantie, en een stoot Faeröeristen. Maar echt kletserig zijn ze geen van allen. Er is een Deens meisje met volgepakt fiets.
Björn en ik raken aan de klets met de Deense Dame die Kirsten heet, en literatuur studeert.
Op een gegeven moment worden onze stoelen opgeëist, want binnen wil men eten, en dus moet ik van rechte stoel naar een deck chair in. En ik ga nog niet naast Kirsten zitten of het onheil doet zich voelen. Ik ga door m’n rug! Opstaan lukt bijna niet meer.
We kletsen er toch wat op los, filosoferen
wat en dan gaan we samen eten. Ik loop met moeite. Dat wordt wat, nu al averij,
en ik moet nog talloze malen die motor op en af. Ik hoop maar dat veel bewegen
de boel snel weer in orde brengt.
Ik bestel inderdaad het 'dagens menu', maar intussen rollen de golven tussen de
Orkneys, de Shetlands en de Faeröer, en dus kom ik niet verder dan een bordje
soep, en wat prikjes in de boontjes. Ik merk dat rustig blijven zitten de beste
remedie tegen de misselijkheid is. Morgen moet ik om 6.00 uur bij de motor
staan, en dat wordt een korte nacht. De weg naar de hut wordt een ware kwelling
want bij elke stap naar beneden weeg je weer flink meer of minder. En dat vind
het maagje, om maar niet van mijn rug niet te spreken, op zijn zachts gezegd
niet echt leuk. Maar eenmaal plat, zo voor in het schip, waar flink te voelen is
hoe we op en neer gaan op schuin van voren komende golven val ik toch snel in
slaap.
Dag 5
Van Torshaven naar Toftir (Faeröer)
De wekker helpt met opstaan en ik zie aan dek het eerste land verschijnen. Maar met een dikke laag wolken eroverheen. Torshaven. Foto’s maken heeft geen zin in het halfdonker, dus neem ik koffie en ga naar de motor.Daarmee is alles goedgedaan. Ook met de andere trouwens. Kirsten en Björn kunnen blijven slapen want die gaan verder naar Lervik op de Shetlands. Ik rij met de motor naar buiten en het is 6.40 wat nu? Ik kom tot de ontdekking dat ik mijn boardingpapieren kwijt ben! Shit! Vanavond maar eens alles grondig doorzoeken, en anders overmorgen op de kade nieuwe vragen. Waarschijnlijk zijn ze met het uitnemen van de schrijfblok mee uit de plastic tas gekomen en gevallen. Na het omhuizen tot de standaardinrichting van de bagage ga ik maar op pad. Ik heb geen zin om me in de drukte van de stadscamping te begeven, dus zoek in vanavond wel iets anders. Eerst blijkt het al moeilijk genoeg Torshaven uit te komen, en dan blijken er ook nog bordjes (door de wind?) niet meer de goede kant op te wijzen. Ik koop snel een kaart bij een tankstation, maar ook die voorkomt niet dat ik een rondje van 30 km rij en verbaasd weer in Torshaven aankom. Ik dacht al dat die kaart niet klopte...
De rondrit begint met slecht weer. Regen en mist en kou. Na goed inpakken gaat het wel weer. Mooie wegen, prachtig landschap. Het weer wordt beter en krijg zowaar wat te zien.
Op de eerste wat kleinere weg die ik oprij, stevig omhoog, moet ik mijn poging halverwege staken vanwege de dikke mist. Een stuk verderop voel ik me niet helemaal O.K., en wijt dat aan gebrek aan ontbijt. Maar als ik me voorover buk om iets uit de rugzak te halen weet ik ineens wat er aan de hand is: landbenen. Mijn evenwichtsorgaan denkt dat ik nog aan boord ben. Lastig, en niets aan te doen...
Ik rij de twee aan elkaar gekoppelde
eilanden een beetje over en kijk al eens naar een camping. Bij Eidi bekijk ik
door de gratis verrekijker de twee trollen Risin en Kelligen, die de Faeröer zo
mooi vonden dat ze ze naar IJsland wilden slepen, maar door ruzie de ochtendzon
vergaten en voor de kust versteenden. Bij Gjogv ontdek ik een mooi tuintje, en
ik zit er lekker in zon. Het noorden van Eysturoy is aanbevelenswaardig.
Scheutig met bordjes zijn ze hier niet. Tevergeefs probeer ik een adres van een
jeugdherberg uit de ‘lonely planet’ In Toftir moet een camping bij het
internationale voetbalveld zijn en ik heb wat gespeeld onbegrip, wat charme (ahum)
en overredingskracht nodig om de dames te overtuigen dat dat echt zo is. Maar ik
mag blijven, gratis, um sonst, for free, op een minuscuul plekje gras, net
achter een flinke wal, zodat ik prachtig beschut sta. Ik heb in het gebouw een 6
persoons douche ter beschikking en een privé toilet, en een één-tent camping.
Vandaag pasta met biefburger. En ik heb flink honger. Nu is het tijd voor opgewarmde koffie, en misschien een slokje whisky. Dan ga ik morgen wat sites bekijken en misschien al eens achter nieuwe papieren aan. Alles is hier zo dichtbij dat dat geen probleem kan zijn. Het is 19.30 uur en het begint fris en donker te worden. Terwijl ik dit schrijf wordt ik getrakteerd op een ‘mild drizzle’. Op het voetbalveld hebben verbaasde tieners onder deskundige leiding voetballes. Wat moet die vreemde snoeshaan daar op dat plukje gras?
Dag 6
Op de Faeröer
Om 6.45 ben ik op. Het is licht, de meeuwen schreeuwen en verder tuft een een veertje op de Tangafjordur. Het duurt nog tot 9.00, maar dan zit ik ook lekker in de zon. Ik krijg zin om op pad te gaan, maar m’n rug speelt niet erg mee. Ferme pijnscheuten bij het opstaan en bukken. Even zo goed zit ik om10.30 op de motor met alleen tanktas en en rugzak. En de motor trilt bijna niet. Of ben ik het intussen gewend? Ik ga op pad naar Torshaven voor bezichtiging en nieuwe boardingpapers. Onderweg kom ik Andreas tegen die naar het ‘internationale’ vliegveld gaat om te vragen om werk. Ze hebben er dezelfde vliegtuigen als waarvoor hij gecertificeerd is om onderhoud aan te plegen. We moeten aan de kant, want er wordt een stukje verderop met dynamiet een industrieterrein aangelegd. De ‘boem’ valt reuze mee. Dan weer op pad, eerst naar Smyrill. Daar maken ze gelukkig geen enkel probleem. Alleen jammer dat op de nieuwe paperassen geen vertrek en aankomsttijden staan, dus moet ik nadat ik dat constateerde nog een keer terug. Intussen bezocht ik het Fort. (met twee engelse kanonnen uit de eerste wereldoorlog) Dat Fort is niet veel meer dan een aarden wal met erin een commando- en manschappenhuisje. Ik geloof dat ze niet veel van de vijand te duchten zullen hebben gehad met zo’n verdediging... Ik wandel door Tinganes, het oudste deel van Torshaven, met leuke kris kras door elkaar staande huisjes met grasdaken. Het geheel bevind zich op een vrij kleine landtong. De wandeling levert me een bakker op voor een nieuw brood. Als de verkoopster het me overhandigt valt mijn hand met brood bijna op de toonbank. Het weegt bijna 2 kilo! Gelukkig heb ik een ‘broodzaag’ bij me. Ik ga Kirjebour bezoeken, met een ruïne van wat eens een kathedraal had moeten worden. De bouw is nooit afgerond omdat de faeroisten de bisschop afzetten om zijn te hoge aanslag op de beperkte financiën. Mooi dorpje, fraaie huizen en de ruïne (het is er eigenlijk geen, want alles wat er gebouwd werd staat er nog).
’s Middags rij ik door wat ik me als de mooiste plek van de Faroer (Foroya voor de Faroisten) herinner: de weg en uitzicht naar Nordradalur zijn fantastisch. Heftig S-bochten, stevig naar beneden en een adembenemend uitzicht. Op deze weg dringt een steentje diep in mijn voorband en als ik wat wandel en terugkom bij de motor zie ik het gelukkig. Ik haal het eruit en weet meteen dat ik uiterst geluk heb gehad. Als een warm mes door de boter. Gek is dat ik bijna zeker weet dat ik het rechtop heb zien staan op de weg. Maar zoals vele motorrijders weten: je rijdt waar je kijkt, en aangezien ik ernaar keek ben ik ook eroverheen gereden. Verder langs de ‘10’ ontmoet ik Rolf met zijn Africa-Twin. Zo’n motor lijkt me eigenlijk ook wel wat voor dit avontuur en ik kijk er dan ook met een schuine blik naar. We rijden samen de berg (Sornfelli)op die ik op een eerste dag niet besteeg omdat de mist me tegenhield. Nu is het iets beter en kunnen we tot boven komen. Daar is een communicatiestation van het leger gevestigd, dus onze klim houdt op. Wel een prachtig uitzicht op fjorden en bergen.
Blijkbaar zijn er van die vaste plekken waar de wolken blijven hangen, want ook nu weer zien we om ons heen niet altijd wat. Als af en toe het dek opentrek krijgen we de prachtigste uitzichten op de Kolla- en Kaldbackfjordur. Een magische plek!
Ik rij verder naar Westmanna, waar ik een op mijn kaart ‘wit’ weggetje neem naar 2 stuwmeren, hoog in de bergen. Maar ofschoon het wel gaat met mijn motor laat ik uiteindelijk gezond verstand prevaleren en draai ik om waar drie 4x4’s nog verder naar boven gaan. Ik bewaar wat voor IJsland... De middag is al een aardig stuk gevorderd en het begint weer koud te worden. Ik zet de terugtocht naar Toftir in. Rond 18.30 ben ik daar. Eten, wat koffie zetten en alweer naar binnen, want ofschoon de zon nog lang schijnt is het behoorlijk koud. Ik neem een douche in mijn privé 6-persoonsdouche en kruip in de tent. Beetje lezen, slokje whisky. Dan laat de slaap niet lang op zich wachten.
Dag 7
Op de Faeröer en weer aan boord
De beheerders van de ‘camping’ hebben deze keer de deur opengelaten, zoals afgesproken, dus kan ik het toilet en de wasgelegenheid bezoeken. Vannacht heeft het geregend, maar het ziet ernaar uit dat de zon z’n best weer gaat doen en het een schitterende dag gaat worden. ‘waiting for the Faeröer sun’
Ik rij vandaag naar Leirvik en dan naar de haven via, wat ik denk, alweer zo’n onverlichte tunnel. Een ruïne en het uitzicht moeten het daar doen. Maar eerst een wandeling over de city-mountain (in de zon!), want ik ben vastbesloten die rug aan het werk te zetten en snel weer normale mobiliteit te hebben. De wandeling is prachtig, het meer (Toftirvatn) aan de andere kant van de berg heel mooi en de schapen waren ook al heel vroeg op. Ik ontdek door schade en schande dat mijn schoenen (Hoge Meindl’s met BC-zool, voor waterrijke gebieden) perfect zijn, zolang ze maar niet op iets nats en begroeids moeten staan. Daarop ben ik uitgegleden en op m’n gezicht gevallen. Je vraagt je toch af...Gelukkig zijn ze perfect waterdicht, ook op de motor. Het is nog steeds vroeg als ik alweer terug bij de tent ben. Tijd voor ontbijt en wachten tot de tent droog is. Rond het middaguur kan ik op pad. Het weer is en blijft mooi. Op naar Leirvik. De haven is gelijk aan elke andere, maar de ruïne is er een van de tegenvallende soort. Hadden die Vikingen maar wat duurzamer gebouwd! Ik rij naar de haven en het is rond 14.30 als ik aankom. Andreas is er al, en de Duitse dames bezoek ik nog even op hun camping. Beetje rondkijken en dan is het al tijd weer eens in de wachtrij te gaan staan. Maar ojee, die motorrijders. Geduld hebben ze niet, dus bij het eerste gaatje wordt er voorgekropen. Deze keer mogen we ook als eerste het schip op. Ik heb een andere hut, en deze is zeker een heel stuk koeler en wat ruimer.
Eerste varen we dwars door de Faeröer omdat dat de kortste weg is, en dan zetten we koers op 310º richting IJsland.
Wij (de motorrijders) treffen elkaar in het cafetaria en kletsen tot 22.30 dan is het tijd voor bed, terwijl het laatste stuk zeereis begonnen is. O’ ja. Vroeg op de avond heb ik mijn pilletje genomen, uit voorzorg en herinnering aan de laatste avond zee. Alles loopt prima, ik ben niet duf, niet extra slaperig (werken die pillen wel?) gewoon OK. En als ik de kooi in stap zijn daar al drie anderen en moet ik in het donker mijn bed nog neerklappen, terwijl het weerbarstig iedere keer weer omhoog klapt...
Dag 8
Van Thorshavn naar Berunes (IJsland)
Al redelijk vroeg staat een Duitser op en ik vraag hem naar de tijd. Bijna 7 uur, dus nog drie uur tot aankomst. Ik ben acuut wakker. Koffie! Ik aan de leut, en daar doemt ook al het eerste land op. Badend in de zon zie ik IJsland's eerste contouren. Bergen!, sneeuw, en dan de intocht in een redelijk lang fjord. Het duurt nog zo’n uurtje, maar dan liggen we in de haven. Het schip is tijdens het overblijven op de Faeröer naar Bergen in Noorwegen geweest en nu zien we wat we aan extra’s opgehaald hebben. Nog 6 andere motorrijders. We moeten lang wachten tot we het autodek opmogen, maar als de deuren dan opengaan zie ik nog net IJslandse douaniers met honden weglopen. Aha!
D’r uit met die motor, en asfalt proeven! Maar eerst nog wachten op de verplichte sticker met uiterste houdbaarheidsdatum (10- september, want dan gaat de laatste boot terug) en de mededeling dat ik op benzine rij. Dieselrijders moeten bij aankomst een flinke taks betalen. Seydisfjordur in en pinnen! Ik klets nog wat met Rolf en Andreas, en naderhand de Italianen (de BMW club uit Genua), waaronder een prof architectuur, een filosoof.... en wat ander gespuis. Ik bevind me in goed gezelschap. Zij hebben maar een week om het eiland rond te komen...
Van Seydisfjordur naar Egilstadir: inderdaad wel 25 watervalletjes op evenzoveel kilometers. Wat een entree in dit land. Weergaloos mooi. Ruig Noorwegen, maar dan heel veel ervan. Dat is m’n eerste indruk. Boven op de pas maak ik een wandeling, en wacht tot de drukte een beetje voorbij is. Dan naar beneden naar Egilstadir. De bewegwijzering is perfect, en ik maak een eerste rondje langs het meer Lagarfjlot en heb meteen mijn eerste ‘dirt road' ervaringen. Dat valt helemaal niet tegen. Aan het eind (of begin, zo u wilt) van het meer bezoek ik een kerkje, maar laat de wandeling omhoog naar de Hengifoss even voor wat ie is, dat is reserve voor als ik hier over rond 17 dagen terug ben. Drie zotte Hollanders halen me scheurend in, en vlak voor m’n neus zien ze het bordje met hun eerste ‘F’ weg. Ze duiken in de remmen, en ik moet wel meedoen. Dan denderen ze weg richting Snaeffels Wat hebben ze haast.
Terug in Egilstadir tref ik de Duitse meiden en drink koffie. Zij eten ‘fettigkeit’. Ze hebben de tent al opgezet en blijven dus hier. Ze hebben een pracht van een kaart gekocht van Mal og Mennig (in Nederland moeilijk te krijgen) en verdomd, zo één wil ik ook. Alle waterdoorgangen staan erop, goede hoogte lijnen, en naar later zal blijken, is ze ook veel nauwkeuriger dan dat vod wat ik bij de ANWB gekocht had (Berndt und Freitag). Ik ben nog even verdrietig over het feit dat Kummerling en Frey niet meer uitgeven..
Die IJslandse kaart is een echte aanrader, en zo mooi, dat ie inlijstbaar is.
Dan ga ik eens langzaam richting Vik, waar ik mijn vriendin zal ontmoeten, die met het vliegtuig gekomen is. De ‘1’ op dus. Het eerste stuk had ik al gezien, maar dan gaat het linksaf richting heuvels. Mooi... en al snel verschijnt mijn tweede ‘ Malbik endar’ (einde asfalt) Dus rammelen en klapperen, gaten ontwijken en een stuk lagere snelheid. Maar het went. Stevig omhoog over de Oxipass, waar duidelijk te voelen is dat het hier winderig is, en helemaal niet warm. Ik stop even bij de Jonashut op de top om eens te zien hoe zo’n reddingshut eruit ziet. Basic slaapplaats, droog en windvrij. Dus eventueel eens te gebruiken. Het gastenboek staat bol van de stevige verhalen over slecht weer van mensen uit de meest uiteenlopende landen. De voertaal is engels.
Richting kust zie ik dikke, donkere wolken, maar nu is het nog mooi weer, en ga ik verder over de supermooie pas. Als heel IJsland dit in de aanbieding heeft? Toch denk ik er verstandig aan te doen de regenbroek al eens aan te trekken, al was het maar voor de kou, maar het blijft in ieder geval droog. De wolken hangen tegen de bergen aan en kunnen er niet overheen zonder eerste de regen te lozen. Op zee schijnt de zon, maar ik rij onder een dik pak. Langs een prachtige kust bereik ik tenslotte Berunes, waar ik de enige kampeerder ben. Leuk veldje, met kampvuurgelegenheid, maar vind hier maar eens hout! Ik zet de tent zo op dat ik morgen direct over zee uitkijk. De voorzieningen zijn primitief maar netjes, en er is warm water. Verkeer? Niet gezien. Schapen en ander dierlijk gespuus? Bijna geen! Vliegend en kruipend ongedierte? Zo goed als niets. Wind, kou? Meer als genoeg!
Dag 9
Van Berunes naar Skaftafell
Waar gisteren nog, tegen de zon in, de prachtige bergen achter Djupivogur als zwarte gedrochten zich aftekenden, ben ik nu blij als ik de weg kan zien. Vannacht had ik al de eerste regen gehoord omdat ik gisteren na een neut toch al vroeg in bed lang. Nu is het rond 8 uur en een gestage regen en bijbehorende wel erg laag hangende bewolking hebben zich meester gemaakt van het luchtruim. Om die 500 km naar Vik af te leggen zal ik toch maar eens langzaam maken dat ik op pad kom. Ik ben benieuwd. Met helm op en regenspullen aan in de weer om de boel ingepakt te krijgen en droog te houden.
Ik wist dat het stuk wat ik nu ging rijden van nogal wat ‘dirt road’ voorzien was, maar met die regen en een striemende wind is dat geen pretje. De hele route rij ik met bril af en vizier open, omdat ik anders niets zie. Niet dat er veel te zien is. Alles is onder een laaghangende dikke laag wolken bedekt. Ik rij als een zombie, soms op ‘dirt’, waarop ik, wel gewaarschuwd door een bordje, dikke brokken steen tegenkwam(van de bergwand), soms asfalt. Wel af en toe 16º stijgen of dalen... en scherpe bochten, blinde heuveltopjes (Blindheadir) ed. Voorzichtig, alleen de achterrem gebruiken. Een voordeel van die regen is dat alle gaten in de weg vollopen met een bruingeel water, waardoor de grootte gemakkelijker in te schatten is. Onderweg stop ik in al m’n ellende bij een reddingshuisje om een beetje beschut te kunnen eten. Een of andere zot heeft olie gegooid op een van de twee bedden, en nu zitten mijn helm, handschoenen en regenjas vol.
Mijn handschoenen moeten na deze reis in de prullenbak. En de regenjas die ik in mijn gedachte slimheid over mij motorjas aanheb toont zijn ware gezicht: het ding is zo lek als een mandje op de verkeerde plaatsen. En waterdicht op de verkeerde plaatsen. Als ik afgestapt ben en m’n armen naar beneden doe, dan blijkt dat zich een bel water in de onderarm heeft gevormd, die zo m’n handschoenen inloopt. Na alles weer extra nat aangetrokken te hebben ga ik weer op pad. Ik maak een paar ongetwijfeld beduimelde foto’s van een Sandur (uitstroomveld van een gletsjer) en ga maar verder. Bij Höfn (spreek uit "Hup", terwijl je inademt) lijkt het weer een beetje op te klaren. Ik kruip een supermarkt in voor koffie en gebak. Behoefte aan warme koffie en taart met chocolade als brandstof, dat is het! Ik zit er wel twee uur en in de tussentijd stopt het met zo heel hard regenen. De motor valt bijna door het asfalt maar ik ben er op tijd bij. Ik ga tanken en daar komt plots Andreas aangereden. Die had een bergpas genomen en is dus op één dag tot hier gekomen. De geluksvogel.
We rijden samen verder. Intussen wordt het droog en vang ik af en toe een glimp op van de schoonheid die zich achter de wolken moet bevinden. Prachtige, grillige bergen. We komen langs het meer met de afgebroken stukken gletsjer (Jokulsarlon) en gaan kijken. De zon laat zich precies drie momenten heel even zien. Maar warme chocolademelk gaat er zeker in. Terwijl we buiten kijken zwemmen er drie zeehonden het meertje in. Prachtig.
We rijden verder richting Skaftafell over nu nog slechts asfalt (de IJslanders weten wel waar ze asfalt leggen: alleen op plaatsen waar ze gemakkelijk bij kunnen, en waar de weg niet al te veel bochten en hellingen vertoont. (Achteraf begrijp ik dat wel, want ook met asfalt zouden diverse wegen moeilijk en gevaarlijk te berijden zijn.)
Andreas rijdt zo’n 100 meter voor me uit als ik zie dat er drie schapen naast de weg lopen. Ze maken aanstalten over te steken. Ja? Nee? Dan toch Ja, en dan knalt Andreas boven op het voorste schaap. Het is op slag dood en Andreas maakt een behoorlijke smak. Gelukkig is hij redelijk ongewond. Regenpak gescheurd en wat barsten in het windschermpje van zijn motor. Knipperlicht kapot. Verder wat kneuzingen. We trekken het schaap van de weg en gaan dan maar verder. Wat wil je? Geen boerderij in de buurt en geen verkeer om iets aan te vragen. Af en toe regent het, maar af en toe heb ik ook zicht op enorme uitstroomvelden(de Sandurs). Soms zijn ze recent en helemaal zwart met wat heuveltjes, andere keren zijn ze al redelijk met mos begroeid. Rechts naast me zie ik af en toe delen van de tongen van de machtige Vatnajokul* voorbij trekken. Maar veel zie ik er niet van. Op de Skaftafell camping zie ik de gletsjertong die slechts op zo'n 500 meter ligt en eenvoudig via een pad te bereiken is. Morgenvroeg wil ik daar wel naartoe. Voor nu: snel tentje bouwen, wat eten, drinken en al na donker naar bed.
* Waterjoekel.
Dag 10
Van Skaftafell naar Vik
En zo begint de 10e dag, de dag waarop ik Paquita zal ontmoeten, met regen. Daarom wordt het niets met die wandeling naar de gletsjertong, ik zie het ding niet eens...Andreas en ik wachten tot het een beetje droger wordt en dan vort met de geit. Dit is de dag van de grote Sandurs. Van Skeidarasandur over Brinasandur en Eldrhaun over het stuk bij Myrdalssandur waar een groot bord waarschuwt voor mogelijke zandstormen. Wij maken niets mee, en als we dan een keer op zo’n open stuk stoppen om te eten, is het er zelfs windstil en muisstil. Geen schapen, geen vogels, bijna geen verkeer en insecten. Heerlijk. Zo’n stilte heb ik nog nooit meegemaakt. Je hoort je eigen ademhaling en andere typische geluiden uit het lichaam. Hier en daar steken grillige lavapartijen net boven het zand uit. Een prachtig maanlandschap. Ze zien er uit als sculpturen uit verloren Indiase tempelbouwkunst.
Zo vlak voor Vik hangt een prachtige wolk in de baai. Het is de enige van betekenis deze middag. Daar waar het vrijwel niet waaide is nu een stevige storm opgestoken. Ik vind Paquita op de afgesproken plek en we gaan samen naar de slaapzakaccommodatie in het Gistihus, het oudste hotel van Vik. Na de inburgering maken we een wandeling langs het zwarte strand De zee is stevig bezig. We bekijken vogels (zijn dat nu wel of geen Papegaaiduikers?) Daarna pikken we Andreas van de camping op en gaan samen eten. Vis met sla en gekruide aardappelen, met vooraf een pasta-tomaten soep. Voor ISK 1050. Prima. Dan nog een lekkere slok whisky in het gistihus, wat kletsen en naar bed. Het huis is zo gehorig dat je er wel heel erg stilletjes rond moet waren om niet iedereen tot last te zijn. De kamer is klein en kaal. Zoals trouwens het hele huis kaal is. Andreas verzekerd ons dat andere IJslandse huizen net zo kaal van binnen zijn.
Binnen is alles van hout en plaat en buiten zorgen een metalen golfplatendak en wanden voor het buiten houden van de regen. Mooi is anders, maar het is wel de meest gebruikte bouwsoort in IJsland
Dag 11
Van Vik naar Selfoss
De regen jaagt ons al uit Vik en we besluiten naar Selfoss te gaan. Lekker centraal gelegen. Daar zien we dan wel weer. Paquita neemt de bus en ik de motor. Ik ben Vik nog niet uit of de regen stopt. Rotbaai. Prachtige weg. Alleen is er die stevige wind uit het westen. Onderweg kom ik langs de beroemde Skogafoss waterval en moet toch even kijken. De waterval is prachtig en je kunt er heel dichtbij komen, maar dat kost je dan wel een nat pak. Er vormen zich meerdere regenbogen, waarvan er een bij mij begint en weer ophoud. (hoefde ik de spreekwoordelijke pot of gold maar op te rapen? Of was ik het zelf?) Dan over het platte land tot Selfoss. Een beetje zoeken en we besluiten een slaapzakaccommodatie te nemen i.v.m. het aanstaande weer. Dat blijkt een goede keuze te zijn.
Heer Gisli is zelf Chemicus, dus dat verbindt die twee natuurgekken wel. Meteen in de boeken over stenen, stinkende zwavel en de ouderdom van IJsland. Zijn huis heeft-ie zelf ontworpen en het is een verademing t.o.v. andere die we gezien hebben.
We kunnen gebruik maken van het hele huis, maar respecteren zijn woonkamer.
Dag 12
Van Selfoss naar Geysir en Gulfoss (met de bus) en terug.
We nemen de bus, die gelukkig niet ver van ons verblijf zijn station heeft. Door de af en toe geweldige buien rijden we eerst naar een flinke krater waarin zich een meertje heeft gevormd, alwaar een 10-minuten stop is ingebouwd. Zo is van de reguliere busdienst meteen ook toeristisch reizen gemaakt. Van die 10 minuten hebben we er maar 4 nodig voor een paar foto’s en frisse lucht want al snel steekt er weer een hoosbui op. Verder naar Gulfoss, waar een uur tijd is om de waterval te bekijken. Ook hier: ellende met het weer. Mijn ‘regen’jas (merk Tresspass), die al eerder bewees die naam niet waard te zijn, lekt aan alle kanten en de fleece-trui wordt behoorlijk nat, evenals mijn hoofd en nek. Dat zorgt ervoor dat we een half uur later de koffietent binnenrennen. Maar Gulfoss zelf is prachtig. Griezelig gewoon hoe dichtbij het water je kunt komen. Op een bepaalde plek kijk je uit over een rotsrand en omdat het water aan de andere kant net naar beneden stort, lijkt het net alsof het water recht op je af komt stromen. Mijn schoenen doen weer hun best mij een voorzichtige loop aan te laten nemen door niet erg slipvast te zijn op de natte rotsen.
We gaan verder naar het geo-thermale gebied rond Geysir, Strokkur en wat andere met fraaie namen getooide verschijnselen. De dampen stijgen er flink op. Ik moet zeggen: het is behoorlijk indrukwekkend hoe dichtbij de warmte van de aarde kan zijn. Overal prachtige kleuren van afzettingen van mineralen en zouten die mee uit de aarde komen. Strokkur laat zich van zijn beste kant zien en spuit er lustig op los. Deprimerend voor een man, zoals die geiser de lucht lijkt te willen bevruchten. Maar na een tweede wandeling rond het veld is het wel goed geweest in de regen. Terug bij het restaurant ontmoet ik de Italiaanse motorrijders weer. Het gaat blijkbaar goed, want ze zijn aardig op weg om hun rondreis van één week te gaan redden. Dit is hun eerste echte regendag. "The lucky bastards." Rond 16.00 gaan we terug richting Selfoss en daar zijn we beide niet rouwig om. ’s Avonds gaan we frietjes en hot dog eten in de 'Pylsevagan' (verrijdbare hotdogwagen). Dat valt niet mee met al die prefab friet en pylse.
Later bieden de huiseigenaar een drankje aan en gaan naar bed. De oude heer is aimabel.
Dag 13
Van Selfoss naar þingvellir
Het weer wordt OK: dat is de boodschap van het weerbericht. Geen regen tot de avond. We nemen de motor en gaan op pad. Het eerste deel van de rit hadden we gisteren al gezien, maar nu is het mooi omdat het droog is, en we beter zien waardoor we gisteren al reden. Het tweede stuk is onbekend, maar loopt door een prachtig natuurreservaat. We komen aan bij een flinke rotswand en hier is het dat de Europese en Amerikaanse continentale platen zo’n 1,8 cm per jaar uit elkaar drijven. Aan deze scheur, en andere te zien, is dat al lang aan de gang. We nemen koffie en appeltaart in het hotel dat in de Lonely Planet gids als een van de mooiste van IJsland te boek staat (ahum). Het kerkje is mooi, evenals de wandeling die we ernaartoe maken. Dan wandelen we door de kloof waar net een buslading Fransen is uitgestort en bekijken de waterval een stuk verderop. Aan de ene kant een raar gevoel dat de aarde hier uit elkaar drijft, maar aan de andere kant is toch heel IJsland zo gevormd. Dan leidt onze wandeling ons over een ruiterpad naar een verlaten en vervallen boerderij. Zodra we de kloof uit zijn zijn we ook helemaal alleen. De wandeling voert langs kleine boompjes, lavastromen, korstmossen in allerlei kleuren én paardenmest. De terugweg is mooier, in die zin van een eenpersoonspad, dat nog met de oude merktekens (steenhopen) gemarkeerd is. Je kunt van de een naar de ander lopen. Onderweg moeten we een paar keer flinke scheuren in de aarde oversteken. De oversteken zijn gemarkeerd met twee steenhopen, waartussen het oversteken mogelijk is. Teruggekomen is het al later in de middag en gezien het weerbericht is het verstandig de terugtocht in te zetten. Onderweg zien we een zwembad en gaan bij 11º buitentemperatuur buiten zwemmen. We hadden geen spullen bij ons, maar die kun je blijkbaar hier overal huren. Heftige zwembroek en handdoek voor mij. Paquita ziet er in haar nieuwe zwarte badpak appetijtelijk uit. Het water is heerlijk warm, maar na een half uur houden we het niet meer uit. Dan snel de sauna in, en dat is mijn eerste keer. Heerlijk, bloedheet en vochtig. Die warmte houdt mijn lichaam de rest van de dag vast. ’s Avonds eten we erwtensoep en een ‘adventure food’. Heerlijk, en daarna een neut en naar bed. De weersverwachting is bijna perfect. Morgen tot 14.00 uur regen, maar dan 2 dagen mooi weer. Die eerste middagdag nemen we de motor naar de Blue Lagoon en voor de tweede en derde dag de bus naar Landmannalaugur, waar we, met tent, een nacht zullen blijven. Dat is de planning.
Dag 14
Van Selfoss naar Blaa Lonid (blue lagoon)
De dag begint met regen en het duurt uiteindelijk tot 13.30 voordat we, na een ochtend lummelen en lezen, vertrekken. Voor Paquita is dat de eerste keer op mijn motor en dan ook nog meteen in de regen. Ik zorg er zo goed mogelijk voor dat dat niet tegenvalt. De weg naar Reykjavik voert over een stevige pas, en die zit bovenaan flink vol met regen en mist. Maar het gaat wel en aan de andere kant is het zicht beter. Omdat het maar licht regent gaan we door, al bezoeken we de geothermische velden bij ‘ ‘ niet. We komen rond 15.00 aan bij de blauwe lagune maar ruiken haar al veel eerder. Het zwemmen is een makkie. Verhalen over een slijmerige ondergrond ed. vallen best mee. Je moet eerst douchen zonder badkleding, en een bordje toont aan welke onderdelen van het lijf gewassen dienen te worden. Maar zwemmen mag weer niet naakt. Het water is heerlijk warm, zelfs hier en daar te heet. De diepte is niet veel meer dan 1.20. De reuk beneemt je slechts voor 1 minuutje de adem, en dat is net niet genoeg om dood aan te gaan. Dat zal wel de reden zijn dat het water nu officieel als geneeskrachtig te boek staat. Je haren staan al na de eerste keer ‘kopje onder’ stijf op je hoofd. Het is een toeristenattractie, maar dat zijn wij dan ook. Ik hoor dat er bij Muvatn (Muggenmeer) een vergelijkbaar meertje is, maar dan gratis. Maar dus ook géén douche om het vuil van je af te spoelen....
Als je je hoofd vlak bij de oppervlakte van het water houdt dan is een snerpende fluittoon hoorbaar. Waarschijnlijk veroorzaakt door de pompen van de naastgelegen elektriciteitscentrale. Die pompt zeewater door de hete onderaardse lagen, en maakt met de stoom stroom. Het afvalwater, met ingedikt zwavel en zout, vormt dit meer. Je zwemt dus eigenlijk in een chemisch afvalmeer. Het zoutpercentage is 2,5%. Een stoombad en drankje later is het wel goed geweest en gaan we onder de douche. Dan weer de regen in. Het is al wat later door een gesprek met een setje Limburgers die ik al in Hanstholm ontmoet had. Doorrijden, want ik heb geen zin hier in het donker rond te torren. Schapen enzo... Dus rond 20.45 net voor donker terug in Selfoss. Voor de verandering regend het ook hier. De kou heeft toegeslagen en na eten en een drankje: hopla, in bed.
Dag 15
Van Selfoss naar Landmannalaugur (met de bus)
Alles ompakken van motortoerisme naar rugzaktoerisme. Ik ben allang blij die rukzak bij me te hebben. We vertrekken rond 9.30 van het busstation voor een drie uur lange busreis (11.200 ISK voor twee personen en retour morgen) In bus krijgen we een handgeschreven papiertje, niet eens een bonnetje, als bewijs van betaling en retourpassage. We kunnen Landmannalaugur niet met mijn motor bereiken. Het eerste stuk: niets aan de hand, maar dan: de ‘F’ weg: Hobbelen, watertjes, los zand. We stoppen bij de Hekla vulkaan, die in 1991 en 2000 nog gespuugd heeft. De zwarte asvelden zijn nog niet begroeid en heel indrukwekkend. Ze bestaan uit lavasteentjes, zo licht als een veertje en helemaal poreus. Maar wel zo scherp als glas. Hekla laat zich van de beste kant zien en baadt in de zon. Een stuk verder een prachtig meer met rondom vulkanen, waarvan de gestolde kernen als gedrochten boven de assen uitsteken. Dan nog 5 km naar Landmannalaugur. Overal om ons heen zien we de prachtigste kleuren aan sulfaten in de bergen. En in onze rug een lavaveld. We nemen koffie in twee oude engelse bussen die daar de rest van hun leven slijten. Dan kiezen we voor de tent en als die opgezet is, met stenen op elke haring en scheerlijn, beginnen we aan een wandeling, die op het kaartje in Paquita’s wandelboekje zo’n 2,5 uur moet duren. Maar aangezien we een ‘wrong turn’ nemen, verbinden we de grootste delen van twee wandelingen aan elkaar. Maar mooi! Eerst door het lavaveld, dan erlangs, stevig omhoog langs de rand van een berg en dan over de kam naar de top van de berg. Het uitzicht is adembenemend. Evenals de rokende gaten en sulfaatafzettingen onderweg. Een stevige klim, een stevige wind op de top, over 800 meter hoog. Nog niet de hoogste, maar toch. Terug lopen we langs de rivier, waar we door een moeilijk te bewandelen lavaveld komen. Het is oppassen geblazen je been hier niet op de verkeerde plaats tussen de brokken te steken, want daar komen geheid breuken van. Eenmaal terug snel aan de warme chocolademelk en dan aan de kook. Heerlijk de lamme spieren laten rusten. Het tentveld bestaat aan de rand alleen uit steen, maar in het midden ligt er wat zachter spul tussen de stenen dus is het redelijk toeven. De voorzieningen (huis, bussen) maken zich klaar om morgen de laatste dag van het seizoen te draaien. Ongelooflijk. Na 31-8 sterft hier alles uit. Ook de bus maakt deze reis dan niet meer. Dat is er trouwens een van de stevig soort. Op gewone weg weinig confortabel, maar in z’n element op ruw terrein. Grote wielen, 4-wiel aangedreven, hoog op de poten en stug geveerd.
De chauffeur vertelt dat de bus tot aan de voorruit in het water kan. Wauw.
Slaap!!!
Dag 16
Van Landmannalaugur naar Selfoss (bus terug)
De regen wekt me, maar naast ons zijn al andere reizigers bezig met inpakken, want die gaan de 3 daagse wandeling van Landmannalaugur naar Porskmork maken. Stevig tripje...
We slapen nog wat door, maar op een gegeven moment is het genoeg. Het regent nog een beetje (wat twee dagen mooi weer?) en we gaan wat wandelen. Voor je het weet zit je hier alweer boven op een berg, Uitkijkend over een prachtig meer, tussen de lavastroom die uit deze vulkaan geperst is. De tent moet voor 14.30 gepakt zijn, want dan vertrekt de bus. Alles is droog! De weg terug is dezelfde als heen en voor we het weten staan we boodschappen te doen in de Bonus (aanrader, de goedkoopste winkels die ik tegengekomen ben) De openingstijden zijn wat raar, want voor 12.00 hoef je het hier niet te proberen. We lopen terug naar de oude baas waar we al 4 nachten verbleven en een mooie korting kregen. Gelukkig mogen we erin, want de tent was niet aanlokkelijk in dit weer. Paquita moet morgen de bus naar Reykjavik alweer nemen, en een warm en droog plekje voor het inpakken is niet verkeerd. Ik mag mijn was doen en via de droger komt dat spul weer schoon in mijn klerenzak terecht. Heerlijk vooruitzicht. Na het ombouwen op motorkamperen en het schrijven van dit reisverslag ben ook ik klaar om het bed te bezoeken.
Dag 17
Van Selfoss naar Hellissandur-Rif
Het is 6.15 en ik sta naast m’n bed. Koffie maken. We slapen bij dezelfde heer als 4 nachten eerder, maar nu heeft ie een lastig heerschap op bezoek Een beetje een opschepper. Vandaag gaat Paquita op de bus en ga ik verder met de trip. P. zit om 9.30 met alle spullen op de bus, een afscheidskus, beste wensen, wees voorzichtig, tot over dik twee weken!
Ik ga terug naar de oude heer, belaad de motor en ga ik op pad. De motor heeft er zin in, en ik ook! Heerlijk zoef ik de hoogvlakte tussen Selfoss en Reykjavik over. Mooi weer, maar niet lang! Al snel na Reykjavik begint de regen. Ik rij de landtong naar Snaeffelsness via de zuidelijke weg op. De hele weg regen, soms meer, soms minder, maar de hele tijd vergezeld van een smerige wind van zee. Ik stop 2 keer voor koffie, gebak en warmte, zelfs nadat ik in de ochtend alle zeilen wat kleding betreft bijgezet heb.
Tijdens een van die stops klets ik wat met een IJslandse motorrijder (jawel, ze bestaan!) en hij zegt dat-ie jaloers naar mijn motor gekeken had. Dat verbaasde me, want na 25 jaar zou je niet verwachten dat iemand daar nog warm voor loopt. Maar zijn uitleg is begrijpelijk. Voor zijn Japanner komt hij slecht aan onderdelen, en in een handboek van zijn broer, die ook zo’n BMW gehad heeft, las hij dat er bepaalde dingen zijn waar je misschien eens in de 10 jaar eens naar moest kijken, terwijl in die termijn de onderdelen voor zijn motor helemaal niet meer te krijgen zijn! Tja
Vannacht was het 3 graden en in het binnenland zelf al -1. Dat belooft! Ik rij over een een heel stuk ‘dirt road’, een smal paadje en overdosis wind. Waar ben ik aan begonnen? Dan wens je wel bij mama thuis aan de warme kachel te zitten. Maar als verrassing zie ik in de verte een lichte streep in de bewolking, vraag is alleen of dat op zee of nog aan land is. Nog even volhouden. En dan plots: geen regen, wel wind, maar ook zon! In dat weer zie ik dat ik naast Snaeffelsness zit en kan ik de kust bij Malariff gaan bekijken. Mooi hoor, die gebroken golven en de vrij hoge klif. En omdat het droog en vrijwel wolkenloos is, wacht ik zelfs tot een vrij grote wolk aan Snaeffelsness voorbij getrokken is om een foto te maken. Er komen alweer 4x4 tjes aangereden, met iets wat erin vastgeplakt in de stoel zit, zodat uitstappen uit dat warme hok onmogelijk is. Dan mis je toch wat ik nu zie na wat wandelen hier.
Het laatste stuk naar de noordkant van de landtong bestaat uit 'dirt road' van de ergste soort, maar in de zon maak ik er het beste van. Ik stop een paar keer om te kijken of ik soms een lekke band heb, zo slinger ik af en toe, maar iedere keer is het gelukkig loos alarm. Dan zit ik aan de noordkant en begint de Malbik weer. De berg laat een besneeuwde helling zien. Foto! In Hellissandur zie ik een bordje 'Camping' en ik rij het terrein op. Niemand te zien. Maar de WC en wasvoorziening werkt, dus voldoende reden om direct aan de voet van de beroemde berg te kamperen. Eerder bezocht ik een vissersmuseumpje, wat al gesloten bleek. Misschien blijf ik wel twee dagen, want er is ‘ellende' beloofd voor ‘these parts’. Uitzingen en een rustdag nemen? Ik zie morgen wel. Eerst wordt de tent op de proef gesteld. Oei, ik heb nog geen storm in dit ding meegemaakt. De camping maakt het ook niet mogelijk echt uit de wind te gaan staan, ook al staat ie te boek als ‘beschut’ Ik hoop er maar het beste van. Nu koken. Na het maal is het snel gebeurd met de dadendrang die er nog over was. Ik was al beurs van ‘dirt road’ maar nu slaat de vermoeidheid echt toe. Nog een Whisky en dan in de zak. Het regent heel stevig en er komt een flinke wind bij kijken. Het valt te bezien of ik morgen niet met tent en al in de oceaan lig.
Dag 18
Nu mag deze camping in de Lonely Planet wel beschut heten, maar tegen een 180o draaiende wind is geen kruid gewassen. De camping is tot nu toe zelfs gratis, want er is niemand op komen dagen. Ik en mijn tentje maken angstige momenten door. Het is absoluut geen weer om de motor te beklimmen., dus wordt dit een dag van min of meer verplichte rust. Gisteravond heb ik nog even Pa en Ma gebeld en die waren blij dat hun spruit nog leefde. Dezelfde Lonely Planet vermeld in Rif, op 2 km, een camping met het predikaat recommended. Toch maar eens beter lezen voordat ik een keuze maak, want hier is absoluut geen slecht-weer accommodatie, naast die die ik zelf bij me heb. Deze camping heeft slechts een hokje met twee wc’s en een wasgedeelte. Die wc’s zijn een verhaal apart, want zowel boven als onder in de deur zit een rooster wat een goede luchtverfrissing op moet leveren. En ik moet zeggen dat dat prima werkt, ware het niet dat de wind er met volle kracht doorheen blaast en een stevige stroom regen meeneemt. Nu is dat niet bepaald prettig te noemen als je met je broek op je knieën zit. Natte knieën, nat hoofd. Dat beperkt wel het verblijf...en dat verklaart misschien ook de lege literatuurbak. Wie gaat hier voor z’n plezier zitten lezen?
Als ik heen en weer gelopen ben, merk ik dat ik toch de meest beschutte plek van de camping gevonden heb, al is de wind 180o gedraaid. Al om 7.00 stond ik op, maar de wijsheid gebood me toch maar te blijven liggen. Maar na de eerste wandeling naar de WC, waarbij mijn spullen alweer eens drijfnat regenden, heb ik toch een extra lijntje aan mijn ‘Robens Lemon Gray’ gehangen. Het leek me geen slecht idee om van de derde nokstuk (de buigstok) een lange lijn naar moeder aarde te maken. Ik controleer de spanning en haringen nog eens en kruip er weer in. Jammer dat er uitgerekend op dit veld geen stenen te vinden zijn om de haringen mee in de grond te houden, dat had me toch iets meer gerustgesteld. Het tankstation, waar vast koffie en warm gebak te krijgen zal zijn ligt op 300 meter. Als ik moed verzameld heb dan ga daar maar eens heen. Die moed is er niet gekomen....
Dag 19
Van Hellissandur-Rif naar Reijkholar
En als ik dan om 7 uur uit mijn slaap ontwaak is diezelfde regen en wind nog steeds present. Maar ik beloof mezelf voor 10.00 weg te zijn. Als ik dan uit mijn ‘dogmatiche sluimer ontwaak’ (ik lees Kant) dan sta ik om 11.00 tussen prachtige bergen, met kristalheldere sneeuw, maar wel nog onder een dik pak wolken. Het is droog! En ik ben het ook. Als de regen op z’n IJsland's is (mottig) dan gaat alles goed. De temperatuurwijzer geeft 4º aan en dat kan behoorlijk kloppen. In en rond Olafsvik heb ik mooie foto;s gemaakt en ik sta nu net achter Grundarsfjordur de omgeving te aanschouwen.
Tip: neem de noordelijke route als je ooit naar Snaeffelsness deze landtong op wil en het weer niet helemaal belooft droog te blijven. De zuidelijke route is onbeschermd, winderig met laaghangende wolken en slechte 'dirt road'.
De hele dag regent het, maar net niet genoeg om echt nat van te worden. (althans, niet op mijn motor). Wat wil je ook in een land dat eigenlijk al verzopen is. Zelfs de natuur begrijpt nu dat water naar de zee dragen een zinloze onderneming is. Op de vorige camping had zich al een riviertje gevormd waar ik gelukkig een heel eind vandaan gebleven was. De route is mooi, de route is prachtig. Bergen met chroom helmen blikkeren in de zon terwijl ik onder het wolkendek rij. Mooi! Al snel komt via ellendige 'dirt road' het stadje Budardalur in zicht, waar appeltaart met ijs en koffie gebunkerd worden. Langer dan één á anderhalf uur houdt ik het niet vol op de motor. De handjes hè?
Op de pas tussen Budardalur en Kroksfjordarnes wordt de ‘dirt road’ ‘verbeterd’. Dat kunnen ze voor mij beter laten, want het wordt allemaal los spul met echte glibberige moddersporen. Maar intussen rij ik wel mooi de Westfjorden in en sta voor de keus om naar de camping in Reijkholar te gaan of verder Het wordt het eerste, want naast een echte camping (geen douche) hebben ze een geothermisch verwarmd zwembad met baden van drie verschillende temperaturen (en toch een douche!)
Camping 600 en 200 voor het zwemmen. Heerlijk gewoon. Schoon en warm, en het regent maar een beetje. Er landen twee Belgen die met dezelfde boot als mij zijn aangekomen en met dezelfde zullen terugkeren. Tot Isafjordur is het nog zo’n 250 km, maar met een 'detour' naar het meest westelijke puntje Europa zal het wel wat meer worden. Gelukkig is ook hier de benzinevoorziening niet echt een probleem. De vreemde gast in het huis van Gisli had aangegeven dat de kaarten soms wat optimistisch waren over het aantal pompen, maar in werkelijkheid heb ik er zelfs meer gevonden dan de kaart aangaf. We zullen zien hoe het hier is. 'Dirt road' rijden is in ieder geval minder zuinig dan gewoon 90 aanhouden. En er komt nog veel van, maar de motor houdt zich tot nu toe prachtig.
De Belgen zijn zoals ze spreken: nogal luidruchtig en ik moet me inhouden om niet te gaan tellen hoe vaak de deuren van de rangerover open en dicht gaan. Na het heerlijke zwemmen en eten zet ik nog koffie en eet wat cake, maar dan is het ook snel gedaan, Nog geen zin meer in een slok whisky en dat wil wat zeggen.
Dag 20
Van Reykholar, langs de HEL naar Krossholt
Om 6 uur begint mijn dag om naast de tent een ongewoon mooie zonsopgang mee te maken. Maar nog geen half uur later staat de rangerover in de baan tussen zon en mij. Het is ijselijk koud en ik kruip na de koffie terug de slaapzak in. Maar het is droog. Na een uurtje opwarmen maak ik een ochtendwandeling naar wat dampende bronnen, die echter lekken in pijpen met warm water blijken te zijn. De wandeling naar het pompstation blijkt veel te ver. Intussen heb ik zo kkkoud dat ik met alle kleren in de zak verdwijn. Het is ook weer gaan regenen. Dan rond 8en worden de Belgen wakker en zetten het weer op een deurenslaan. Maar ik krijg het warm en val met regenjas aan en pet op in slaap. Ik droom vanalles en schrik ineens wakker. Droog? Tent uit! 11.30 Hupsakee, inpakken en wegwezen. Vandaag ga ik echt de Westfjorden in. Nog geen half uur later is het enthousiasme getemperd. De weg is ongelooflijk slecht en overal waar gerepareerd wordt ligt het zand en de stenen helemaal los. Dan die wind erbij en de niet ophoudende regen. De pret is op. Op de kaart staan zo’n 60 km dirt raod maar ik rij er 120. Van de ergste soort, met zachte modder, glad en verraderlijk. Gaten waar de hele motor in kan verdwijnen en slechts twee smalle spoortjes enigszins berijdbare zand. Als ik een modderspoor wil ontwijken en de weg duidelijk gemaakt is om aan twee kanten af te wateren, dan slaat het noodlot toe: geholpen door een vlaag wind ga ik over de rand. Ik voel het achterwiel wegglijden en dan is er nog maar een optie. De greppel in. En wel bewust. Ik bewaar de tegenwoordigheid van geest en ontwijk een stevig brok steen en kom met knikkende knieën tot stilstand. Wat een geluk dat die greppel daar nu eens niet zo diep is en niet helemaal vol ligt met grote keien of vol water stond. Ik kan de motor weer starten en een stuk verderop de weg weer oprijden. Geluk bij een ongeluk. Peuk-time! De weg slingert zich in S-bochten en soms wel 15º stijging of daling door het landschap, maar helaas zie ik voornamelijk grijs en bruin van de onmiddellijk voor mij liggende weg en wolken. De eerste camping die ik tegenkom laat ik maar links liggen, want ik geloof dat een bed een betere optie is voor vandaag. Dat heb ik wel verdiend. En zo beland ik in Krossholt, in guesthouse Bjarkarholt, waar een oplettende IJslander vraagt wat ik kom doen. Er is niemand in het Guesthouse. Ik ga naar binnen en zorg dat ik warm wordt. De motor kan gelukkig een beschut plaatsje naast het huis krijgen, want de storm en regen blazen maar door. Na een uurtje verschijnt de gastvrouw die me ook nog verteld dat de zojuist gereden weg voor twee dagen dichtgaat. Mooi 130 km in 4,5 uur!
De hele weg vanaf hier tot Bildurdalur is geasfalteerd, maar ik wil ook nog naar Latraberg. Ze zal me na het nieuws berichten over het weer voor de komende dagen. Ik heb zelf begrepen dat het de komende dagen redelijk mooi zal worden. Die zal ik nodig hebben, ook om uit deze fjorden te komen. Als het morgen mooi is dan rij ik door naar Latraberg, het meeste westelijke puntje Europa. Ook een mooi doel. Souvenirs? Een speldje voor op mijn daffy-duck pet zou mooi zijn.
Dag 21
Van Krossholt naar Dynjandisvogur
‘ and Rocky checked in, only to find Gideon’s bible’
Inderdaad, dat Guesthouse heeft op alle kamers een IJslandse, maar ook Duits, Frans en Engelstalige bijbel. Ik staar, versuft nog, naar buiten en van buiten staart een grijze brij met miezel en regen terug. Het zou de komende twee dagen juist niet fraai worden, beloofde het weerbericht. Nu heb ik al heel wat weerberichten gezien, maar ze kwamen hier allen in één ding overeen: ze waren te optimistisch. Ik heb slecht geslapen. Deels door de warmte in dit gebouw, en deels door de schrik van gisteren denk ik. Het is nogal wat, met zo’n 250 kg aan motor de 'ditch' indonderen... Toch maar op tijd op pad, denk ik zo. In de verte zie ik stukken mooi weer voorbij trekken, en daar wil ik ook wel zijn. Ze willen echter dit eiland niet aandoen. Iceland, Island of fire and ice, maar dat ijs moet blijkbaar ergens van gemaakt worden, en dat noemen we regen. Maar goedgemutst op stap. Alles is droog, ik ben warm en ik heb lekker ontbeten. Ik ga op weg naar de Bjargtanger vuurtoren. Het eerste stuk is het alweer van de regen in de drup maar af en toe wordt het droger. De 612 is zeker na de afslag van de 62 een ramp. Er wordt aan de weg gewerkt en dat betekend voor de motorrijder niets goeds. Modder, los grind en stevige stenen. Als dat niet opwekkend is? Dan de afslag naar Raudsandur (roodstrand) Daar wordt het helemaal een ramp want de dikke stenen onder de ‘dirt’ zijn hier tot boven het oppervlak gekomen. De rode stranden krijg ik maar ten dele te zien, want de zon wil niet meewerken. Maar eenmaal onder aan het strand wil de zon toch een heel klein beetje meewerken en krijg ik zowaar wat kleur te zien. Heel mooi en dat hier? De heen en terugweg wens ik niemand toe, afschrikwekkend steile afgangen en S-bochten en U-turns bij het leven. Op een één voertuigbrede ‘weg’. Dan door naar Bjargtanger, waar de borden 'vallend gesteente' serieus genomen moeten worden. Eenmaal aangekomen lijkt deze plek met felle wind en regen een tegenvaller. Maar ik had me voorgenomen hier op z’n minst een uur rust te nemen. Mijn polsen doen zeer van het vasthouden van het stuur. Als er dan toch tijd is dan ook de vogelklif opwandelen. En dat wordt een blijde verrassing, ware het niet dat ik mijn camera vergeten had en de wandeling twee keer moest maken om wat plaatjes te schieten. Prachtige zee, vele vogels en hoog... Ik eet in de luwte van de vuurtoren die wel nog net getooid is met een plaatje waarop staat op welke coördinaat je je bevindt. Maar dat is dan ook alles. Het is hier gewoon einde weg! Dan moet ik dat hele stuk ook nog terug, maar de dame had me asfalt beloofd. Ze had gelijk. De ‘62’ is tot achter Bildurdalur geasfalteerd. In Patreksfjordur zoek ik de ATM en vind hem. Bij het tankstation sla ik olie in en pylse en koffie achterover en kan weer verder. Het weer is intussen heel wat vriendelijker geworden, en ik zit zowaar buiten het tankstation in het zonnetje. Ik prop de tank zo vol als maar kan en dan Oooh..... Van Patreksfjordur naar Bildurdalur door een steenwoestijn, mooi in de zon de bergen bewonderend. Maar alle wegen in Ijsland moeten oplettend gereden worden. Ook de asfaltjongens. Steile afdalingen, plotseling scherper wordende bochten, blindheadir, ein bred brede slitlag (een voertuig brede asfaltlaag, die ineens zomaar 75 cm links en rechts minder wordt, noem het maar op.
Nog een tip: rij nooit op de randjes van de weg, want ook al staan er witte strepen op, direct daarnaast is het ook afgelopen met de 'grip'. Soms zijn de strepen zelfs op losse rommel zelf gespoten.
En dan kom ik bij de Sudurfjordur en vallen de schellen van m’n ogen. Wat een pracht en praal. Dan weer omhoog voor een akelig stukje van de 60 en 20, zo hoog op de vlakte. Maar de 'dirt road' is hier redelijk goed te doen. Wat doe ik? 8 km naar een zekere camping in Flokurdalur of toch door? En wel zien waar we uitkomen? Het wordt door! Het is 16.30 en alles is O.K. Weer mooi, geen regen, en ik wil toch echt wel eens wat zien. ’s Avonds is hier voor deze jongen echter niet te rijden, maar donker wordt het pas rond 20.30 En ik rij door op wat mijn mooiste dag Ijsland wordt (wat fjorden betreft) Langs het prachtige GeirPjofsfjordur waar ik veel foto's maak en tot aan Dynjandisfjordur, waar een bordje camping me nieuwsgierig maakt. Kostenloos, naast een beul van een waterval. Toilet en stromend water zijn er, ik ben er moederziel alleen, wat wil een mens nog meer?. De camping ligt in de punt van het fjord met een prachtig uitzicht over het water en de bergen. En zo zit ik dan hier in de zon, die net achter de wolken is gedoken te schrijven en te lezen van een kaart die zo nat en verfomfaaid is dat ik bang ben hem vast te pakken. In het vreemde gelige avondlicht ga ik dadelijk eens een potje koken en dan opgewekt naar bed. Maar morgen moeten er weer kilometers gemaakt worden. Isafjordur is nog 80 km en ook dat betekent veel 'dirt'. Als het weer zo blijft (wat hier niet te verwachten is) dan lukt het nog wel om een flink stuk van de voorlopig de laatste 'dirt road' te nemen (de ‘61’). De bergen in de verte hebben hun wolkenkleed al lang aangetrokken en boven mij ontvouwd zich nu ook zoiets, eruit valt regen, maar dat deert mij niet, tussen veren en dons zie ik morgen wel weer.
Dag 22
Van Dynjandisfjordur door de Hel naar Holmavik (5-september)
Als ik wakker wordt blijkt het goed dat ik die extra lijntjes uitgezet heb. Het waait behoorlijk en het regent. Maar het is nog donker. In de nacht alleen in t-shirt en Meindls gekleed een plasje doen is toch een wonderbaarlijke ervaring. Niemand in buurt in vele kilometers en toch de beschutting van de tent als veilig beschouwen? Rare zaak. Daarna komt er niet echt veel meer van slapen. Ik zal de slaap wel uit hebben intussen. Toch nog moeilijk opstaan om 9.00 uur. Ik vertrek met een duidelijk wolkendek boven me. Het regent licht. Omdat het hier in de Westfjorden helemaal niet opschiet met reizen heb ik besloten de vaart erin te zetten. Er resteren immers nog 5 dagen tot het veer vertrekt, en ik wil toch rekening houden met iets van tegenslag, dus feitelijk 4 dagen om van west naar oost te komen. Een eerste stuk 'dirt road' zet de toon voor vandaag. Het waait echt enorm uit het Westen. Storm! Het eerste bruggetje, dwars op de Borgarfjordur moet ik met twee voeten aan de grond nemen om niet omgeblazen te worden. Het is maar smal, maar de wind staat pal van de zijkant. Iedere keer als de wind even niet trekt smokkel ik een metertje brug om tenslotte aan de overkant pal tegen de wind in te moeten.
Vandaag waaide het zo hard dat de wind de koppen van de golven afblies en in gordijnen door het fjord en over de weg blies. Ook mocht ik getuige zijn van een heuse waterhoos, die water uit het fjord opzoog.
Oei, Oei, wat een onderneming! Het stuk naar Pingeryri is veeleisend. Rukkende wind, nooit zekerheid van waar de volgende aanslag zal komen. De wind op de hoogvlakten is snijdend, maar ik hou goede moed. Als ik echter de twee vlakten naar Isafjordur gehad heb, waar ook nog eens aan de weg gewerkt wordt, dan is alle fun er al 3 keer vanaf. Overleven is het enige dat rest. Shit weg, regen en storm. Soms moet ik de linkerkant van de weg nemen om bij een vlaag wind aan de rechterkant niet van de helling geblazen te worden. En dan rij ik slecht 10 a 15 km per uur en ben ik geen kleine jongen waar het motorrijden betreft. En de kou wordt voelbaar. Soms waait de wind tussen jas en broek door m’n rug op. En dat heb ik nog nooit meegemaakt. In Isafjordur is het hoog tijd eens echt op te warmen en m’n leed te klagen. Je bereikt de stad via een bizar en compleet van borden voorzien T-kruispunt in een tunnel, die slechts één voertuig breed is en dus van halteplaatsen voorzien is. Voor je opent zich het tunnelfirmament en stijgt het dak tot het een mooie koepel vormt, waarin dat kruispunt gelegen is. Het is nog een beetje vroeg om de bijl erbij neer te gooien en ergens krijg je van die stoot adrenaline een ware trance-achtige dadendrang. Maar die ken ik, en daar moet voor opgepast worden, want de geest wil soms meer dan het lichaam aan kan. Dus eens goed nadenken, informatie inwinnen over de gesteldheid van de weg en dan beslissen. Gelukkig hoor ik dat de Noordkant qua wegen veel beter is dan wat ik tot nu toe gehad heb. Maar de wind komt wel van de west vandaan. Ik ga dus voor een camping onderweg of in ieder geval in Reijkjanes. Als ik om 15.30 echter zie dat de weg naar Holmavik nog 80 km is, dan kies ik daarvoor. Achteraf had ik dat toch niet moeten doen...
Ik zit nu, na een weldadige douche, warm en wel, na de gratis camping van gisteren, in een gistihus in Holmavik en leef nog, maar het laatste stuk over de Grunfjorsheidi is bijna helemaal dwars op de wind en zeker op de top is het bijna niet meer te houden. Orkaankracht hoor ik later van de Meteoroloog op het werk. Mijn handen zijn stijf en gevormd naar het stuur, mijn jas laat de wind en kou goed voelen en zelfs mijn knieën en voeten hebben het zwaar, iets wat zelden voorkomt. Het laatste stuk dat toch beschut zou moeten zijn, is een ware kwelling, maar huiverend van de kou, de spanning en het vooruitzicht van een hete douche drijven me voort. Gelukkig is er een Gistihus, want een camping had me niet opportuun geleken. Nog afgezien van de vraag of ik die tent wel heel opgezet zou hebben gekregen. De oude baas zegt 2500 ISK, maar tekent 1500 ISK op de muur. Ik leeg m’n beurs met 1200 en wat klein grut en hij veegt het van de tafel en vind het OK. Nu heb geen enkel idee wat ik betaald heb, maar het was geen 1500 ISK. Hij had weinig tijd voor me. Gelukkig is morgen alles weer droog en warm. Ik spreek voor de eerste keer met IJslanders, die op doorgangsadres voor hun werk voor een mobiele telefonie firma zijn. Klimmen in masten enzo.. Hier? Nu? Never! Veel baantjes hebben ze, en ze zijn behoorlijk sportief met roeien en wintersporten. En kamperen! Er is een stel dat me herkent van het moeilijkste stuk van de trip van vandaag, want ik had ze zo netjes voorbij gelaten tijdens mijn geploeter door een stuk vette leem bij wegwerkzaamheden. 'Must have been tough today', zegt ie.
Ik duik die douche in en ga de kaart eens drogen zodat balans opgemaakt kan worden van wat afgelegd is en wat nog moet. Ondertussen blijkt dat het weer de komende dagen echt beter wordt en ik put er een beetje hoop uit. Maar jammerlijk 2 dagen te laat. Nu rest nog slechts een snelle rit naar Seydisfjordur om de boot niet te missen. Maar ik hoor dat ik dat prima ga redden. Hopelijk is er nog tijd om Akureiri te bezoeken en Muvatn aan te doen. Ik wil ook nog naar Dettifoss, maar mijn voorband denkt daar anders over. Ik heb dat ding de afgelopen dagen zien slijten en beslis dat daar geen 'dirt road' meer mee gereden wordt. Thuis wachten ook nog 1000 km asfalt. Het laatste stuk van de weg heeft ook nog wat verrassingen in petto, als ik de kaart mag geloven. Vol goede moed, en het besef dat het heel wat waard is als je je motor echt goed kent, ga ik slapen.
Tip: neem nooit de zuidelijke route naar de Westfjorden. Als je dat toch wil, neem dan het veer van Stikkisholmur naar Branslokur. En neem de tijd om eens 2 of 3 dagen slecht weer uit te zitten. Ik deed dat al eens op Snaeffelsness, maar hier had het ook gemoeten.
Dag 23
Van Holmavik naar Akureiri Vrijdag 6 september
Vanochtend schijnt de zon ineens en de wind is wat gaan liggen. Ik heb weinig geslapen. Eenmaal traag gepakt ga ik er toch voor. Met de mindere wind mee naar het zuiden over af en toe wat 'dirt road' van een kwaliteit die ik nog niet eerder meemaakte. Ongehinderd door kuilen en stenen met af en toe zo’n 80 km/u over het zand. Verademingen. De omgeving is glooiend met zo hier en daar een berg. Maar als ik de buurt van Akureiri kom vallen m’n ogen bijna uit hun kassen. Vanaf zo’n 50 km voor Akureiri lijkt het net alsof je door een vallei der koningen rijdt met aan beide kanten beijsde jongens van zo’n 1200 meter hoog met hun glimmende en besneeuwde toppen en flanken. Ongelooflijk. Ik rij door het dal van de Nordura en later Oxnadalsa. Het lijkt de koninklijke weg om Akureiri in te komen. Tot aan Eyjafjordur gaat dat zo door. En plots, na het toch wel weer erg koud te hebben gehad, is daar Akureiri. Even wennen. Stoplichten! Wereldstad met stoplichten, een boulevard en striptenten. Ik neem de eerste keer van m’n leven een hamburger met frietjes (620 ISK) en warm eens heerlijk op, onder de aandacht van een van de serveersters. Daarna het boek erbij om eens te kijken waar we gaan overnachten.
Blijkbaar leest er hier nooit iemand want ik krijg zo af en toe wat rare blikken van gasten, die trouwens van een type zijn dat ik al lang niet meer gezien heb. De degeneratieve effecten van de grote stad zullen we maar zeggen. Drie campings in de buurt en die in het centrum is de rumoerigste, maar aangezien het seizoen afgelopen is kies ik er toch voor. Dan kan ik vanavond de stad in. Er staan welgeteld 5 gasten. De wegen rond de camping zijn wat onrustiger dan elders maar een onderdompeling in beschaving is ook wel gezond. Zo kan de kluizenaar alvast wennen aan zijn terugkeer. Vanavond zal hier het weekend nachtleven losbarsten met gierende banden van jonge jongetjes. Mijn pogingen om de voorband te sparen door alleen op de gladdere stukken asfalt te rijden lijken vruchten af te werpen. Ik zie de band niet meer per dag slijten. De voorband is er ernstig aan toe en de achterband bijna rijp voor de sloop. (4000km mee gereden) Al met al was het een droge dag, maar ik voel me fysiek niet helemaal goed. Eens goed slapen? Zit de kou me in de botten? Moet ik ziek worden? Nee hoor! Ik ben in de veren gedoken en nadat ik lekker warm was de stad ingelopen voor het nachtleven. Daar was het rondjes rijden en imponeren al begonnen, maar geen kip in de kroeg! Na een flinke verkenning van de stad neem ik koffie in cafe Amour en een sea food soup, een cola. (ISK 1320) Het was alweer tegen tienen en ik loop naar de tent. Alles in diepe rust, behalve de beroepscoureurs. Gierende banden, dikke 8-cylinders die benzine slurpen en midden in de nacht een zot die per se zijn auto kapot wilde hebben door het herhaaldelijk voor en achteruit rijden over een stuk weg met enorme gaten. Uiteindelijk wordt het een onrustige nacht ‘in a city that never sleeps’
Dag 24
Van Akureiri naar Muvatn 7 september.
Als ik weer eens wakker wordt is het al behoorlijk licht en na wat doezelen wil ik de wereld buiten ook wel eens bekijken. Als ik probeer de buitentent vanuit liggende positie te openen komt er allemaal wit poeder naar beneden neerdwarrelen. IJS! De hele tent is van binnen bevroren. Ik ben net op tijd op om dat schouwspel ook van buiten mee te maken. De zon komt nog net niet over de horizon. Mijn eerste ochtend zonder wind, regen en ander engs en dan moet het vriezen. Als ik de hele kan Mexicaanse koffie uit Holmavik opwarm (een smerige gewoonte, maar wat wil je als je voorraad verse Vaderlandse koffie erdoorheen lijkt te gaan raken?) komt een van de Engelsen langsgelopen en ik bied hem een bakje aan. Met een beleefd ‘no thank you’ wordt mijn genereuze aanbod afgeslagen. Hij moest eens weten wat dat voor mij betekend als ik de spaarzame koffie wil delen. Waarom deed ik dat dan ook? Misschien omdat we beiden er nogal klappertandend bijstonden? Zal wel. Rustig pak ik in, want zin in reizen krijg je hier wel van. En dat is iets wat de laatste dagen er stevig bij ingeschoten was. Ik moest, maar niet altijd van harte. Ik bezoek de nu toch wel serieus uitgebloeide botanische tuin, die op zich een klein wonder mag heten in deze contreien. De hele stad is trouwens uitbundig voorzien van groens en andere kleurige plantachtigen (en het is geen plastic!)
In het kleine plaatsje ‘ ‘ bewonder ik het uithoudingsvermogen van de 19e eeuwse bewoners. De huisjes zijn van plaggen, en zo laag en klein dat voor ons bijna niet meer voorstelbaar is dat daar geleefd werd. En dan ook nog vissen op die spookzee. Daarna voert het prachtige landschap me verder, maar de zon moest ik al snel weer achter me laten.
Onderweg bezoek ik de Godafoss, waarvan de sage zegt dat daar door een of andere pief zijn afgodsbeelden ingegooid werden toen IJsland gekerstend werd. Nooit iets gevonden. Dat kan twee dingen betekenen (misschien meer?): die beelden waren van hout of IJsland is nooit gekerstend (ik geloof dat tweede, want waarom zou dit land anders van god verlaten zijn?)
Maar over de waterval: je kunt angstig dicht bij de rand komen. Je kunt zelfs over een klein stroompje om dan vanaf een overhangende rots echt de diepte in te kijken. (bedankt, wrijvingsloze zolen...) Eng, een beetje gevaarlijk, maar ook avontuurlijk!
De wolkenformaties onderweg zijn formidabel: ze buigen met de bergen, waarover ze aan komen zetten, mee en vertonen dus prachtige krommingen. In de verte zie ik verschillende malen een soort ‘seven sisters’ met glimmende ijskappen netjes naast elkaar in het zonnetje liggen.
Rond Muvatn, op een hogere vlakte, dampt de aarde, maar zoals op zoveel plekken is ook hier de natuur gebruikt en staan de machinerieën op de bronnen om met veel kabaal de hitte op te pikken. Er is een tweede blue lagoon, gratis en wel, maar zonder douche! Een grote vulkaan van zwarte as vraagt erom om beklommen te worden, maar met mijn motor kan ik niet dichtbij genoeg komen. Rondom Muvatn ligt een enorm lavaveld waarvan de kappen ingestort zijn, en wat een prachtig gezicht is. Wandelen is hier een ‘heikele sache’ Maar geen muggen! Het kan zijn dat de wind ze aan de grond houdt? Het is weer behoorlijk fris. De camping (direct aan het meer) is Ok. Maar niet meer dan dat. Er is op z’n minst een andere in de buurt.
Eten, slapen!
Dag 24 Van Muvatn naar Egilstadir Zondag 8 september
Opstaan gaat lastig. Die verdomde warme slaapzak ook!
En de wind is in kracht weer eens flink toegenomen. Ik doe lekker rustig aan. Zelfs zo rustig aan dat ik weer door de kou de zak ingedreven wordt en om 12.00 wakker gemaakt wordt door een voorzichtige stem die om de sticker vraagt die bewijst dat ik betaald heb. Dan wordt het toch echt tijd eens te gaan vertrekken. Ik ben nog niet goed en wel de heuvel over of ik zit weer midden in een fumarolenveld. Stinkt bij het leven, maar het is zeker de moeite van het bekijken waard. Mooier dan dat veld bij Geysir als je het mij vraagt. Prachtige kleuren, mooie formaties, en eens goede informatie.
Dan zijn het nog slecht 160 km of zo naar Egilstadir, maar ik val van verbazing in verbazing. Eerst de asvelden die zich over kilometers uitstrekken en zelfs tegen de bergen op geblazen zijn. Daarna komen de groene bergen. Heel het landschap is groen, stemmig onderbroken door de dirt road die hier voor het contrast eens rood is, maar zeker niet zo slecht als ik op andere plaatsen mee heb gemaakt. Ik ga niet naar Detti- en andere fossen, want ojee die voorband.
Aan het eind van de dag, (nou, ja eind), zo rond 14.30 wordt het zo warm dat ik de voeringen uit mijn motorbroek en jas haal en de fleece trui in de rugzak mik. Met alleen thermisch shirt, motorjas en broek en zomerhandschoenen glijd ik door het landschap. Als dat zo doorgaat dan verlaat ik IJsland nog zoals ik het aangetroffen heb: blakerend in de zon. Alhoewel de temperatuur en windmeter eerder aangaven dat er 6m/s wind staat en de temperatuur 15º is, denken ik en mijn lijf dat het zomer is!
De vallei, waar het laatste deel van de weg doorheen slingert, is nog mooi en ik zie die bergen van gisteren weer, maar nu van dichterbij. Eerder op de dag zag ik ook de Askja vulkaan liggen met een bordje aan het begin van de weg ‘Next gas station 283 km’. Eenmaal in Egilstadir tref ik een groepje Engelse motorrijders met twee tamelijk wilde Amerikaanse dames. Ze hebben dikke pech met een van hun motors. Spaken gebroken en de ophanging van de remklauw van het achterwiel is gebroken. De motor is in een riviertje tussen twee stenen blijven steken en omgevallen. Met die wilde horde wil ik niet op de camping en ik kies dus samen met een Duitse motorrijder voor de camping aan de andere kant van het meer. Met hot pot! En die wordt meteen gebruikt. Aangezien ik besloten had eens uit te gaan eten kom ik bij de Pizza 67 terecht, waar ik helemaal alleen mijn pizza van 12-ich verorber. Ze hebben ruim keuze: 9, 12, 16 of zelfs 18 inch. Eenmaal terug op de camping ga ik naar buiten zitten staren naar een fenomeen dat ik ook buiten de pizzatent al meende te zien: Noorderlicht! Geweldig! Ik had het nog nooit gezien en daarom vraag ik zelfs aan een hutjesbewoner of ie de buitenlamp uit wil maken.
Een prachtig schouwspel aan een kraakheldere hemel met amper strooilicht. Er zijn ook andere dingen te ontdekken. Vele satellieten, en af en toe een stuk heelal dat in de dampkring verbrand. Gewoon ongelooflijk!
De bewoners van het huisje gaan om 3.30 vertrekken vertelde een bewoner me. Ik slaap slecht en beslis om 2 uur ’s nachts slechts gekleed in handdoek de hot tub nog eens te bezoeken. Vreemd gevoel zo in adamskostuum onder de hemel te zitten. Jammer genoeg is de hemel intussen ook onder de veren gekropen en moet ik het doen met wolken. Dan de zak weer in. Een heerlijk ‘gestolen’ moment. De slaap komt als de bezoekers zijn vertrokken.
Dag 25 Egilstadir-Hengifoss-Egilstadir Maandag 9 september
Ik ben toch weer vroeg wakker door ontbijtende medekampeerders. Vandaag is het dan tijd ansichtkaarten te kopen en te versturen. En om de Hengifoss te bezoeken en beklimmen. Het weer is er perfect voor. Zon! Al met al een niet te ambitieus plan voor vandaag.
De Hengifoss had ik bewaard voor deze laatste dag en nu ga ik op pad met lichte jas en zonder alle bepakking. Onder aan gekomen lijkt het een onneembare klim, maar mensen een paar kilometer verder tonen aan dat het te doen is.
De klim zelf is prachtig en is verdeeld in een makkelijker en lastiger stuk. Meer naar boven is er zelf keus uit de pittoreske, maar gevaarlijkere, wandeling langs de rand of de meer veilige weg. Ik kies uiteraard voor de mooie weg. Ik was bijna te laat, want de zon komt al van de zijkant de uitgeslepen en ingestorte waterweg in. Daarom is één kant slecht te zien. Boven aangekomen is de beloning de moeite waard.
Ik heb niets te drinken bij me, maar de waterval biedt uitkomst. Heerlijk fris water, zo van moeder Natuur (mijn eerste keer...)
De terug weg valt mee, zeker omdat je andere ploeteraars op je weg tegenkomt. Die hebben nog wat te gaan....
Eenmaal terug in Egilstadir probeer ik mijn laatste kronen op te maken aan eten voor de komende drie dagen aan boord, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik koop kaarten, waaronder een nieuwe ferdekort van IJsland om Jan thuis mee te pesten en vertrek naar de camping. In de zon gezeten kan ik kaartjes schrijven en wat koken. Ik had de Duitse motorrijder uitgenodigd om samen te eten, want mijn voorraad maaltijden was ook nog niet ver genoeg aangetast. Goed gezorgd, jochie! Al zeg ik het zelf.
Als dank deel ik in zijn laatste halve liter blikken Duits bier. We drinken met z’n 8-en in de hot tub, die nu zo heet is dat het niet langer dan 5 minuten uit te houden is.
Dan is daar de nacht en die brengt me rust.
Dag 26: Egilstadir- Seydisfjordur en Zee! Dinsdag 10 september
Al vroeg is er allerlei gerommel te horen. Zo te zien is iedereen vast van plan als eerste bij die boot aan te komen. ‘Ik niet’ kan ik rustig zeggen, want ik kruip straks toch weer voor bij de wachtrij.
De tent moet drogen en ik zie dikke wolken over de berg komen. Daar in Seydisfjordur kan de zon gewoon niet schijnen. Als na een uurtje of twee, na wat gelaveer met de tent in de zon het zaakje droog is pak ik in, eet wat, en vertrek eens langzaam over de pas. En inderdaad: er hangt een pracht van een wolk in de baai. Dat betekent dat er nog een paar kilometers door de mist gereden moeten worden over een weg die wel goed is, maar toch ook een paar leuke verrassingen kent.
Het inschepen is weer makkelijk genoeg. Ik mag tijdig aan boord en rijg de motor tegen de wand. Dan de kooi opzoeken en inrichten (een tas en een jas achterlaten!)
Aangezien dit de laatste keer is dat de oude Norröna IJsland aandoet is er een heus afscheidscomité opgericht, kompleet met IJslandse trekzakspelers en sprekers. Een aandoenlijk tafereel, wat door de politie met sirene en zwaailichten afgesloten wordt. De andere boten in de haven blazen afscheid.
De middag verloopt zoals dat moet. Buitengaats is IJsland nog eenmaal te bewonderen met veel wolken rond de bergen, en dan gaat het over een bijna spiegelgladde zee zuidoostwaarts. Helaas mis ik een leeg fotorolletje, omdat ik ervan uitgegaan was dat het huidige er een was met 36 opnamen.
En dan: een snurker in de kooi!
Dag 27: Op zee! 11 september
De dag begint weer vroeg en ik ontmoet een Duitse geoloog die de oplossing voor de koffiemalaise bij zich heeft: oploskoffie en een thermosfles gevuld met het bloedhete water uit het herentoilet bij het cafetaria (jammer dat deze tip niet meer zinnig is. Dit schip komt niet meer in IJsland!)
We spreken over aardbevingen, wetenschap, sociale kwesties en ronden af met een wandeling buiten. Deze persoon is al 11 keer met dit schip op IJsland geweest!
Onderweg rest niet veel meer dan te kletsen met de mensen aan boord en te lezen, eten, drinken en sluimeren. Het weer buiten is goed, maar niet warm genoeg om langdurig buiten te kunnen zijn. Je ziet er trouwens niet veel afwisselends.
’s avonds zien we booreilanden en grote schepen rond Groot Brittanië en de eilanden.
Ten gevolge van de snurker ben ik gedoemd op andere momenten te slapen, dus is een middagslaapje een prima verzetje. Al die koffie en stoere verhalen van 4x4 volk zijn slechts voor het eerste deel aan mij besteed. Maar aangezien ik mijn beide ‘short histories of mediaeval en of modern philosophy’ bij me heb, kan de wereld om me heen me af en toe gestolen worden.
’s Een van de Duitsers is ook whisky en sigarengek en samen verorberen we twee stevige corona’s en een slokje ‘vom besten’.
Dag 28 16.30 land in zicht! Van Hanstholm tot tot snelweg 12 september
Al redelijk vroeg op de dag zien we links van ons Noorwegen opduiken. Ik moet de aanvechting om het schip te kapen en me daar af te laten zetten stevig onderdrukken en vraag medepassagiers mijn doen en laten nauwkeurig in de gaten te houden.
Na dat rare emotionele moment van ontscheping, als iedereen plots weer ergens heen kan (en moet?) en ‘vaarwel’ en ‘we zien elkaar’, ‘we mailen’ is daar ineens het Deense asfalt!
Ik rij van Hanstholm tot aan de snelweg en kom er dan alweer eens achter dat hoe zuidelijker je komt hoe sneller het donker wordt. Het is rond 20.30 en de duisternis haalt me snel in. Eenmaal op de snelweg moet er getankt worden en ik vraag meteen naar een camping. Die blijkt van de grote soort maar wel heel mooi, ook al besef ik dat pas de volgende dag. De tent moet in het donker opgezet worden, en aangezien er nog wat gegeten moet worden ook.wordt het tamelijk laat voordat de rits dichtgaat. Maar dan wel voor een dijk van een slaap!
Dag 29: Van Denemarken naar Sittard Vrijdag 13 september
Dit kan de laatste reisdag worden en ik ben goedgemutst al vroeg uit de veren.
De zon komt langzaam op en ik ga heerlijk verse broodjes halen. Ontbijt is een feest, met die heerlijk honing uit IJsland.
Dan draai ik de weg op voor de laatste etappe.
De gebruikelijke moordaanslagen op de 'Autobahn', de ongelukken: terug in de bewoonde ‘geciviliseerde’ wereld, waarin iedereen plots weer een persoonlijke missie lijkt te hebben.
Het roergebied nept me bijna weer op dezelfde plek, maar deze keer gok ik goed en kan ik mijn 46 terugvinden.
Aan het eind van de dag is er nog eens tijd voor de ‘bockwurst’ maar dan komt Nederland in zicht.
Zo komt een eind aan meer dan 4 weken afwezigheid uit het Nederlandse land.
Alles komt weer vreemd op me over. Als ik ’s avonds de PC aanzet voor een snelle blik op mijn e-mail dan heb ik dat rare gevoel van problemen met coördinatie tussen hand en ogen weer. En ik mis de diepte in het uitzicht.....zucht!
KM 50896
-BMW R100 RT met koffers en tanktas 1977
-Nieuwe achterband en volledige beurt.
-Reserve: Bougies
Contactpunten
Gaskabel
Koppelingskabel
-Gereedschapsset,
-Geen bandenreparatieset, terwijl dat wel verstandig zou zijn geweest
-Tent: Robens "Lemon Grey" driestoks semi koepeltent
-Slaapzak: Active Leasure Denali 800 slaapzak met donsvulling
-Slaapmat: Jack Wolfskin Self inflating slaapmat, 5 cm dik, met ingebouwd hoofdkussen 7,5 cm dik
-Onderlegzeil
-Jack Wolfskin 80 liter waterdichte zak met rolsluiting, waarin de slaapmat, slaapzak, toiletspullen, handdoek, zomerhandschoenen, voeringen voor jas en broek en regenjas een plaats vonden