|
|
De gastUit: Verborgen dynamiek van familiebanden, Bert Hellinger Waar eens het wilde westen was, zwierf een man met een rugzak door het eenzame land. Hij had urenlang gelopen, de zon stond hoog aan de hemel en hij kreeg steeds meer dorst. Aan de horizon zag hij een boerderij en hij dacht: “Goddank, eindelijk een ander mens in deze barre eenzaamheid. Ik zal daar halt houden en om wat water vragen. Misschien kunnen we even gaan zitten voor een praatje, voordat ik weer verder trek.” En hij stelde zich voor hoe aangenaam dat zou zijn. Toen hij echter dichter bij het huis kwam, zag hij de boer aan het werk in de tuin en hij begon zich te bedenken. “Waarschijnlijk heeft hij het erg druk en helemaal geen tijd, en als ik hem lastig val, zal hij zich ergeren. Misschien denkt hij wel dat ik onbeleefd ben.” Toen hij ten slotte bij het erf aankwam, zwaaide hij naar de boer en liep verder. De boer had hem van een afstand al gezien en voelde zich verheugd. “Goddank”, dacht hij, “eindelijk een ander mens in deze barre omstandigheid. Ik hoop dat hij hierheen komt. We zouden samen wat kunnen drinken en misschien even gaan zitten om een praatje te maken voordat hij weer verder trekt.” De boer ging het huis binnen en maakte iets koels klaar om te drinken. Maar toen de wandelaar dichterbij kwam begon de boer te denken: “Hij heeft vast haast. Als ik hem aanspreek, breng ik hem misschien in verlegenheid. Wellicht denkt hij wel dat ik mij aan hem opdring. Maar misschien heeft hij dorst en komt hij uit zichzelf wel hierheen. Ik kan maar het beste de tuin in gaan en doen alsof ik het druk heb. Hij zal me vast zien en als hij iets nodig heeft, zal hij me er wel om vragen.” Toen de wandelaar alleen maar zwaaide, dacht de boer: “Dat is pech hebben!” De wandelaar vervolgde zijn weg en liep almaar door. De zon brandde op zijn hoofd en hij kreeg steeds meer dorst. Het duurde uren voordat hij weer een huis aan de horizon zag. Hij dacht bij zichzelf: “Deze keer zal ik de boer aanspreken, ook al vindt hij me een lastpost. Ik heb vreselijke dorst en heb beslist iets te drinken nodig.” Toen de boer de wandelaar in de verte zag aankomen, dacht hij bij zichzelf: “Hemel, dat is nu precies wat ik niet kan gebruiken als ik veel te doen heb. Ik kan nu niet voor iemand anders gaan zorgen.” Hij ging door met zijn werk zonder op te kijken. De wandelaar zag hoe de boer het veld inliep, volgde hem en zei: “Ik heb grote dorst. Zou u me alstublieft iets te drinken kunnen geven?” De boer dacht: “Ik kan hem niet wegsturen, dat zou niet goed zijn.” Dus nam hij de vreemdeling mee naar binnen en gaf hem iets te drinken. De vreemdeling zei: “Ik zag daarnet uw tuin. Het is wel duidelijk dat er hier iemand aan het werk is die begrijpt wat tuinieren is en veel van planten houdt.” De boer zei: “Houdt u ook van tuinieren?” Toen gingen ze zitten en voerden een lang gesprek. Ten slotte zei de vreemdeling: ”Ik ga weer eens verder.” De boer antwoordde: “Maar de zon is al aan het zakken. Blijf vannacht toch hier. We zullen morgenochtend vroeg ontbijten en dan kunt u weer verder.” De vreemdeling stemde toe. Toen de avond viel, zaten ze samen voor het huis en keken naar de weidsheid van de hemel, die kleurde in het avondlicht. Toen het donker was geworden, sprak de vreemdeling over hoe zijn wereld veranderd was nadat hij het gevoel had gekregen dat iemand hem bij elke stap vergezelde. In het begin, zo zei hij, had hij geweigerd om te geloven dat er altijd iemand bij hem was, iemand die stopte als hij stopte en verder ging als hij verder ging. Het had hem enige tijd gekost voordat hij had begrepen wie deze metgezel was. “Mijn voortdurende metgezel is mijn dood,” zei hij. “Ik ben zo gewend geraakt aan zijn aanwezigheid, dat ik hem zou missen als hij er niet meer was. Hij is mijn meest trouwe en dierbare vriend. Wanneer ik niet meer weet wat juist is of wat ik moet doen, dan stop ik even en wacht op een antwoord. Ik heb mijzelf aan hem overgegeven. Ik weet dat hij daar is en ik hier ben. Zonder vast te houden aan mijn eigen verlangens wacht ik tot zijn boodschap tot mij doordringt. Wanneer ik goed bij mezelf ben en de moed heb, komt er een woord van hem naar mij toe en als door een bliksemflits wordt de duisternis verlicht en word ik helder.” De boer vond dit maar een vreemd gesprek en staarde zwijgzaam in het duister. Na een lange tijd zag hij zijn eigen dood als zijn metgezel en hij boog het hoofd voor hem. Toen hij zijn eigen dood met respect welkom heette, was het alsof de rest van zijn leven veranderde. Het werd kostbaar als de liefde die een afscheid verwacht en net als die liefde werd het vervuld van overvloed. De volgende morgen nuttigden ze samen een ontbijt en de boer zei: “Ook al vertrek je, mijn vriend blijft bij me.” Ze gingen naar buiten, schudden elkaar de hand en namen afscheid. De vreemdeling ging zijns weegs en de boer keerde terug naar zijn veld.
|
Patricia Coors werk of privé |