Studentenvereniging “Utile Dulci
Secretariaat
Paul Wessing
Scheidemakershof 38 B,
6511 KJ Nijmegen.
Gsm: 06-22877808
E-mail: Utile-dulci@hotmail.com
Nieuwsbrief januari 2010 Motto:De cultuur heeft het meest
gewonnen door die boeken
waarop de uitgevers hebben
verloren.
(Thomas Fuller)
Vraag: mag een meisje boeken
schrijven, die zij niet zou
mogen lezen?
1.
A une raison
Un coup de ton doigt sur le tambour décharge tous les sons et commence la
nouvelle harmonie.
Un pas de toi, c’est la levée des nouveaux hommes et leur enmarche.
Ta tête se détourne: le nouvel amour!
Ta tête se rétourne: - le nouvel amour!
“Change nos lots, crible les fléaux, a commencer par le temps”.
te chantent ces enfants. “Eleve n’importe ou la substance de nos
fortunes et de nos voeux on t’en prie.
Arrivée de toujours, qui t’en iras partout.
Vertaling:
Tot een rede
Roer met je vinger de trom, en alle klanken breken los, de nieuwe harmonie begint.
Zet een stap: het is de lichting van de nieuwe mensen en hun opmars.
Wend je hoofd af: de nieuwe liefde!
Wend je hoofd terug: - de nieuwe liefde!
“Verander ons lot, zuiver de rampen uit, te beginnen met de tijd”, zingen je kinderen.
“Geef waar dan ook meer substantie aan ons fortuin en onze wensen”, smeken we jou.
Gekomen van altijd, die overal heen gaat.
(Arthur Rimbaud).
2. Aankondigingen van uiteenlopend karakter, maar niet in alphabetische dan wel in chronologische volgorde. Berust er in, het is niet anders:
a. Ria van Eck schrijft mij:
De museumclub gaat op 27 januari 2010 naar Groningen voor de tentoonstelling van “Die Brücke” in het Groninger Museum.
Vertrektijd: trein van 09.14 uur naar Zwolle via Nijmegen. In Zwolle overstappen op de trein naar Groningen.
Verzamelen om 9.00 uur boven aan de roltrap aan de voorzijde van het station te ‘sHertogenbosch.
Aanmelden bij Ria van Eck.
Voorts wil de museumclub op 24 februari 2010 naar ’s Gravenhage voor de tentoonstelling over “Der Blaue Reiter” in het Haags Gemeentemuseum.
Vertrektijd 09.23 uur richting Utrecht. Daar overstappen op de trein naar ‘sGravenhage.
Verzamelen om 09.00 uur aan de voorzijde van het station te “sHertogenbosch boven aan de roltrap.
b. Opzeggingen:
Bert Heida schrijft mij:
“(…….). Verder moet ik je mededelen dat ik nog eens goed heb nagedacht over mijn lidmaatschap van Utile Dulci. Hoewel ik niet ontevreden mag zijn over het verloop van mijn gezondheid(en het ook niet ben!), heb ik mijn studie definitief gestopt, wat ik overigens al van plan was voordat ik geveld werd door de hersenbloeding. Het leven is te interessant en er zijn te veel onderwerpen waarin ik me wil verdiepen om me te laten dwingen door het curriculum van Cultuurwetenschap, met hoeveel plezier ik al die tentamens ook heb gedaan. Maar als je dat besluit hebt genomen, valt de ratio onder het lidmaatschap van Utile Dulci weg. De vereniging moet het hebben van actieve leden, die met hun studie bezig zijn. Vandaar dat ik mijn lidmaatschap hierbij opzeg, terugdenkend aan een aantal heel plezierige jaren in jullie midden.
Ik wens jullie toe dat de vereniging blijft bloeien, zoals ik het heb meegemaakt, tot in lengte van jaren!
Bert Heida”.
Mieke Leferink schrijft mij:
“Hierbij wil ik mijn lidmaatschap van Utile Dulci beëindigen. De reden is dat ik al enige jaren niet meer bij de OU studeer en ook niet vaak de bijeenkomsten bezocht heb.
Daardoor is datgene wat de leden van de vereniging bindt n.l. de studie bij mij niet meer aanwezig.
Ik wens alle utilianen een succesvol studiejaar en een gelukkig 2010.
Met vriendelijke groet,
Mieke Leferink”.
c. Mededelingen van Marcel van der Lans:
1.“Wie wil er meer weten over klassieke muziek?
Er dreigt weer een juweeltje te verdwijnen uit het aanbod CW-studies en daar moeten we iets aan doen.Uit de reeks CW-seminars(C54211) dreigt het onderdeel “luistervaardigheid klassieke muziek” te worden geschrapt vanwege vermeend gebrek aan belangstelling.In principe, zo meldde mij OU-docent Wouter Steffelaar, heeft hij in november 2009 dit seminar voor het laatst gegeven, tenzij er alsnog een groep van circa 10 studenten kan worden geformeerd.Vandaar een oproep in deze Nieuwsbrief om aan de leden van Utile Dulci kenbaar te maken of er voor dit seminar interesse is. Het seminar bestaat uit een intensieve cursus van drie dagen waarin de ontwikkeling van en de stijlen in de klassieke muziek worden behandeld o.a. met behulp van cd’s die worden bijgesloten bij het leerboek.Medestudenten die dit seminar gevolgd hebben zijn heel enthousiast en het is eigenlijk een raadsel dat er zo geringe belangstelling is. Kan je ooit zeggen dat je alles al weet over muziek? Luisteren naar concertmuziek wordt mijns inziens veel prettiger als je de muziek begrijpt en kunt plaatsen in een tijdsbeeld etc.Wouter Steffelaar is graag bereid weer een seminar te verzorgen bijvoorbeeld in april 2010. De aanmelding moet, volgens de regels van de OU, rechtstreeks gebeuren door de student, maar het is wel handig dit ook aan mij te melden, zodat we van elkaar weten met wie en met hoeveel we zijn”.
“Utile Dulci reis 2010
Na de achtereenvolgende jaarlijkse mooie reizen en vooral na de reis naar West-Sicilië in oktober 2009 zal er misschien nieuwsgierig worden uitgekeken maar wat ik voor 2010 in petto heb als volgend reisdoel.
Ideeën heb ik nog voldoende om de komende jaren aan onze cultuur-historische trekken te komen. Het is wellicht daardoor dat ik niet tot een keuze kan komen voor 2010. Zeker weet ik, dat Oost-Sicilië voor later wordt bewaard.
Ook weet ik zeker, dat voor een volgende door mij georganiseerde reis alleen de eerste helft van september 2010 in aanmerking komt, want vanaf 12 september moet ik thuis zijn in verband met andere verplichtingen. Dus wordt het reizen van zaterdag 4 september tot zaterdag 11 september 2010.
Er is door menigeen die wel eens meereisde geopperd dat men wel wil meedenken en/of organiseren. Ik proefde daaruit ook een beetje de wens tot inspraak. Om de een of andere reden heb ik dat als eigenwijze regelneef niet nodig gevonden. Dit keer mogen jullie inspraak!
Ik wil polsen waar de voorkeur naar uitgaat, want laat ik het maar eerlijk zeggen, dit keer kan ik zelf niet kiezen tussen de reisdoelen die me door het hoofd schieten. Hieronder staan wat mogelijkheden voor een interessante reis, die elk voor zich onze cultuurhonger kan stillen. Degenen die weer een reis willen meemaken, nodig ik uit mij per e-mail v’oór eind januari 2010 te laten weten, met een cijfer van 1 t/m 4 waar je voorkeur naar uitgaat.
a. Portugal: vliegen naar Porto, 2 dagen, 1 dag de universiteitsstad Coimbra, 3 of 4 dagen Lissabon, waarvan mogelijk 1 dag naar het ommuurde middeleeuwse stadje Evóra. Terugreis vliegen vanaf Lissabon of Port. Vervoer ter plekke met de moderne Portugese spoorwegen. Gezien de aard van de steden wijs ik erop, dat je goed ter been moet zijn!
b. Italië: Veneto + Emilia Romagna: vliegen naar Triëste, vandaar de oud-Romeinse Aquileia en Grado, Padua, Ferrara en de mozaïekstad Ravenna en via de oudste universiteitsstad Bologna terugvliegen.
c. Spanje: stedenbezoek aan Valencia en Barcelona, beide boordevol kunst en cultuur, oud en modern. Vervoer tussen de steden per moderne TGV.
d. Italië: Rome. Tijd te kort. Hoef ik niet nader toe te lichten. Plus uitstap naar Tivoli, de tuinen van Hadrianus en zo mogelijk het oude Romeinse Ostia.
Laat mij alsjeblieft weten hoe je voorkeur er uit ziet vanaf 1 t/m 4.
Zelf heb ik nog een andere voorkeur: als we ons tussen genoemde steden gaan verplaatsen met het openbaar vervoer, wil ik niet zo’n grote groep als naar Sicilië, hoewel ieder daarvan me even lief is! Voor een volgende reis stel ik voor met 10/11 personen te reizen.
Eerst wacht ik jullie uitspraak af over voorkeuren en daarna wordt het reisdoel bepaald. Dus dat is nog geen aanmelding voor deelname, die gelegenheid komt na de keuze van het reisdoel.
Rest mij te zeggen, dat ik me graag weer inspan om een mooie, interessante reis te verzorgen, welke het ook gaat worden.
Van de gelegenheid maak ik gebruik jullie allemaal een heel gelukkig Nieuwjaar te wensen. Op 11 januari toasten we met z’n allen hierop in Perron-3.
Marcel van der Lans”.
3. Lezing op 1 februari 2010 door Joost Langeveld.
Prélude a lápres-midi d’un Faune van
Claude Debussy.
Vele liefhebbers van klassieke muziek hebben moeite met de 20e-eeuwse klanken. Zij missen herkenningspunten: een omlijnde melodie, een duidelijke begeleiding, een terugkerende toonsoort, een kenmerkend rhythme, een herkenbaar timbre.
Daarom is het zinvol om eens terug te keren naar de bakermat van deze muziek, het einde van de 19e. eeuw. Eén van de beroemdste composities uit die periode is de Prélude a l’apres-midi d’un Faune van de Franse componist Claude Debussy. Aan de hand van dit werk valt goed aan te tonen hoe de heldere traditionele muzikale contouren en referentiekaders vervagen, plaats maken voor meer organische vormen van muzikale beweging, en hoe Debussy aldus de weg effent voor de muzikale experimenten van de 20e. eeuw.
Deze Prélude is tevens een toonbeeld van wisselwerking tussen verschillende takken van kunst en wijst ook in dat opzicht vooruit. Debussy baseerde zijn compositie op een gedicht van Mallarmée, dat weer door een schilderij van Boucher geïnspireerd was. De Prélude vormde op haar beurt weer de basis van diverse choreografieën en speelde ook in de literatuur een opvallende rol onder andere in “Der Zauberberg”van Thomas Mann.
Joost Langeveld is als docent muziekgeschiedenis verbonden aan de HOVO te Nijmegen. Als organist is hij wekzaam in de St. Stevenskerk te Nijmegen. Hij geeft concerten in binnen- en buitenland.
4. Retor
Op 18 januari 2010 verzorgt Retor weer een lezing. Deze lezing zal worden gehouden door de secretaris van Utile Dulci, wiens personalia ik acht bekend te zijn bij de leden van UD. Het onderwerp luidt: Hermeneutiek, een voor de Cultuurwetenschappen zeer belangrijke filosofische zijns- en denkhouding.
Het wordt geen gortdroog verhaal en een opsomming van abstracte theorieën van mensen als Gadamer, Ricoeur en andere pipo’s. Uiteindelijk moet ik mijn verhaal zelf ook nog kunnen begrijpen en leuk vinden.
5. Poëzie- en proza-avond.
Op maandag 11 januari 2010 vindt de jaarlijkse poëzie- en proza- en muziekavond plaats.
Leden van UD zullen gedenkwaardige stukken ten gehore brengen.
Tot nu toe hebben zich als deelnemers aangemeld:
Han van de Ven
Nellie van Extel
Theo Ellerman
Ton van Oss
Gert-Jan Reuser
Francien van den Heuvel
Het spreekt vanzelf, dat deze lijst niet uitputtend is, maar nog gaarne kan/mag worden aangevuld met gretige kandidaten.
Wie o wie??
6. Het symposium te Utrecht gehouden op 12 december 2009.
Dit symposium stond in het teken van het 25-jarig bestaan van de Open Universiteit Nederland.
De belangstelling voor dit evenement was bijzonder groot. Binnen drie weken waren 250 plaatsen “verkocht”. Vele belangstellenden kwamen uit alle delen van het land: Groningen, Friesland, Zeeland,Limburg, Haarlem, Alkmaar en zelfs uit België waren geïnteresseerden gekomen.
Velen kregen te horen, dat de zaal vol was en dat zij helaas niet konden deelnemen (op last van de brandweer).
Om 10.00 uur werden de gasten verwelkomd in het authentieke, op het Domplein te Utrecht gelegen Academiegebouw met koffie of thee en “wat erbij”.
Om omstreeks 10.30 uur begon het officiële gedeelte met een welkomstwoord door Paula Dix, de voorzitter van Suster Bertken. Tevens deed zij kond van een aantal noodzakelijke mededelingen van huishoudelijke aard.
Op de eerste rij zaten de geïnviteerde hoogwaardigheidsbekleders: Paul van den Boorn, Irmin Visser en emeritus-hoogleraar Van der Dussen.
De heer J. van Marle liet verstek gaan, omdat hij zijn hoogbejaarde moeder terzijde diende te staan tijdens het bezoek van een architect juist op die zaterdag te haren huize, zo vernam ik uit wel ingelichte bron.
Daarna was het woord aan Prof. Dr. Herman Pleij(“zeg maar Herman”, “leuk,zeg maar Paul), die het ochtend programma voor zijn rekening nam.
Wat een geweldig bevlogen redenaar is hij! Een spervuur van wetenswaardigheden, anekdotes, spitse opmerkingen en beschouwende conclusies rolde, neen daverde over de toeschouwers, die op het randje van hun stoel in zijn ban zaten te luisteren. Na afloop kreeg hij een zeer langdurig applaus voor zoveel verbale kunst.
Uitgangspunt van zijn betoog was de middeleeuwse structuur en architectuur van de binnenstad van Utrecht. Dit lieux de mémoire drukte specifiek de mentaliteit van de middeleeuwer uit. De kromme straten en de vele grachten, die de handel over het water dienden. Er bestond een grote afhankelijkheid van de waterlopen binnen en buiten Utrecht.
In vele steden zijn de grachten gedempt, maar men komt daar langzamerhand weer van terug en menige gracht wordt aan het verkeer onttrokken en opnieuw tot gracht bestemd.
Men wil nieuwe houvasten scheppen, identiteiten terugroepen.
Helaas bestaat er een touristische trend tot folkloriseren: het oude wordt mooier gemaakt dan het ooit geweest is bijv. het meanderen van schattige, leuke beekjes, die vroeger nooit zo schattig waren en zo geslingerd hebben.
In Utrecht is dit folkloriseren niet aan de orde, gode zij geprezen. Het oude heeft steeds bestaan, er was altijd contact met het water, thans voor een deel door de aanwezige terrassen op de kades aan de voet van de oude pakhuizen.
In de ME was iedereen altijd op straat in verband met de onderlinge communicatie, de weetjes en de nieuwtjes. De verzamelplaats was het Domplein, waar altijd groot rumoer was door het eindeloze geroezemoes van stemmen.
Ook dit geroezemoes is thans weer hoorbaar terug in de autoluwe straten van de binnenstad. Iets van de sfeer van vroeger komt aldus weer op, de menselijke maat gaat het straatbeeld bepalen.
De straten in de ME waren vol stank en ondefinieerbare geuren: de mensen deden hun behoeften op straat, (wildplassen- en poepen waren normaal), iedereen gooide vanuit zijn huis het vuilnis op straat, de vis-, vlees- en groentenmarkten lieten hun sporen letterlijk achter.
Op de markten werden vis en vlees verkocht, waarvan de houdbaarheidsdatum verre overschreden was. Beesten zoals koeien, varkens, schapen en geiten(zonder Q-koorts) liepen vrij door de straten en deden daar hun behoeften.
De volderijen en de leerlooierijen produceerden een ondragelijke stank. Het leer werd met urine bewerkt.
Later in de ME werden de vervuilende industrieën naar de buitenkant van de steden verplaatst, mede daartoe genoodzaakt door het bezoek van vorsten, kardinalen en prelaten, die niet aan zulk een stank konden/mochten worden blootgesteld.
Door de slechte hygiënische toestanden braken er vele besmettelijke ziekten uit. Ook wemelde het in de stad van de ooglijders en zelfs blinden.
In Amsterdam kwamen in 1444 de blinden in opstand tegen de geur- en stankverwekkers, omdat zij bang waren de weg naar huis niet meer terug te vinden.
Hoe langzaam de geruchten de ronde deden bleek in 1453 in Brugge. Constantinopel (polis van Konstantinos) was door de Turken ingenomen. Angst waarde rond: stort de Christenheid in?
Een feit was, dat toen de inname van Constantinopel aan de burgers ter ore kwam, dit feit twee maanden daarvoor had plaats gevonden.
Kom daar nu eens om! De mensen over de hele aarde weten alles meteen.
De paradox van deze tijd is, dat hoe meer we van elkaar weten, des te minder kunnen we elkaar overtuigen. Mensen trekken zich in tegenstelling tot de Middeleeuwer steeds meer terug achter de coulissen met steeds meer communicatiemogelijkheden. Er is steeds minder directe emotionele communicatie. Tegenwoordig vindt een inflatie van emoties en gevoelens plaats. Dit heeft op emotioneel gebied een ontregelend effect.
In de ME waren de volkspredikers zeer belangrijk. Vooral op hoogtijdagen bijv. met Pasen trokken zij duizenden toehoorders. Mensen als Jan Brugman en Dirk van Munster hielden bevlogen preken in de open lucht op grote pleinen, preken die soms 5 uren duurden. De pleinen waren altijd aangelegd met het oog op de akoustiek, die uitstekend was.
De emotionele, populistische contacten zijn heden ten dage verdwenen. Hier en daar in zogeheten volksbuurten is zulk een contact nog aanwezig in café’s.
De stad stond vanaf de 14e. eeuw niet goed bekend. Stedelingen waren vaak letterlijk van “God los”. Zij hieven rente over leningen, woeker. Zij deden alles wat God verboden had en dat was heel veel. De misdaad verschool zich in de kleine, kromme en onoverzichtelijke straatjes. “De stad is uit hoogmoed geboren en de burger is door de duivel persoonlijk op aarde gezet om kwaad te doen”. De vrije wil werd gepersonifieerd door de duivel. Een voorbeeld van die hoogmoed is de Domtoren, de hoogste kerktoren van Nederland. De bouw van de toren riep een massale agressie op onder het volk en bij mensen als Geert Grote en Thomas a Kempis (de moderne devotie). De moderne devotie was een stringente hervorming binnen de R.K. kerk. Een moderne geest kwam op: ken U zelf, je bent zelf verantwoordelijk.
De burger van de stad is verdacht. Hij verstoort de driehoek van Adel, Geestelijkheid en de Boeren. De burger zou zijn plaats moeten weten. De burger past niet in die door God gegeven driehoek.
De burger is selfsupporting, schept zijn eigen bestaan, hij komt voor zichzelf op en heeft niemand nodig. Dit leidt tot eigengereidheid, ieder heeft zijn eigen mening.
Hieruit vloeit de huidige mentaliteit van de Nederlander voort: hij is sterk ik-gericht, sterk individualistisch en de Nederlander is ongekend lomp en bot.
Door middel van kluchten werd een moralistische boodschap gebracht. Er was critiek op de standen, op de ledigheid en improductiviteit van de adel en de geestelijkheid.
Kunst en literatuur stonden midden in het leven, zij hadden de functie iets mede te delen.
Zij werden niet, zoals nu, apart geplaatst als iets belangrijks. Dat zou vroeger belachelijk gevonden worden.
De kerk predikte, dat arbeid een straf was voor de zonde. Deze gedachte heeft lang overheerst. Je werkt voor wat je strict nodig hebt en nog een beetje voor de armen. Zo investeerde je in een plaats in de hemel. De armoede was zo bedoeld en nodig om de mensen in staat te stellen goede werken te doen om in de hemel te komen. Armoede mocht dus niet verdwijnen.
God is in toenemende mate de arbeider bij uitstek. De stad gaat dit benadrukken: arbeid is ook positief en niet alleen een straf. Op afbeeldingen wordt Adam getoond met een hark om het paradijs aan te harken.
Vóór de zondeval adelde arbeid, daarna was het een straf.
In de ME toonde men in het Carnaval (carnem vale= afscheid van het vlees) omgekeerd gedrag, de omgekeerde wereld. Carnaval had een ventielfunctie, een uitlaatklep: alles wat je dwars zat, waarvoor je bang was, werd gedemonstreerd. Hoererende priesters, zich prostituerende nonnen etc. Carnaval had een belangrijke sociale functie.
Na afloop van de rede werd een lunch geserveerd in de Senaatskamer, waar de promoties gewoonlijk plaats vinden.
Daarna nam een ieder om 13.30 uur deel aan een activiteit naar keuze.
Zelf bezocht ik het Centraal Museum, waar het gezelschap werd rondgeleid.
Om 15.30 uur was iedereen weer terug in de Senaatszaal, waar een borrel en frisdranken werden geschonken.
Deelname aan het symposium leverde 8 uren op in het kader van de cursus CW-debat.
Daarvan kreeg je aan het einde van de dag een bewijs.
7. Op dinsdag 13 april 2010 zal Dr. Jos Pouls een lezing houden getiteld: Jubileumkerk van Richard Meier in Rome. De lezing telt mee in de reeks van het CW-debat. Deelname levert dus uren op.
Aanmelden is mogelijk via het Studiecentrum Nijmegen.
8. Presentatie van hun bachelorscripties op 7 december 2009 door respectievelijk Francien van den Heuvel en Hans van Sprang.
Francien van den Heuvel
Onderwerp: De integratiepolitiek van Koning Willem I in het Verenigd Koninkrijk der
Nederlanden.
De Nederlanden vormden een bepaald geografisch gebied. Doelstelling was natievorming.
Het gevoel bij elkaar te horen. Cultuur vormde een belangrijke pijler. Onderwijs kreeg een
grote rol toebedeeld, immers een nieuwe maatschappij vraagt om goed opgeleide krachten.
Koning Willem regeerde zeer eigengereid autoritair. Door middel van het
Amortisatiesyndicaat onttrok hij een deel van de buitengewone begroting aan de controle
van het Parlement. Er was geen sprake van ministeriële verantwoordelijkheid.
De ministers uit zuiden waren in aantal ondervertegenwoordigd. Ministers, die critiek
uitten, werden ontslagen of weggepromoveerd naar een andere functie. De critiek richtte
zich niet alleen op de gebrekkige contrôlemogelijkheden inzake het financiële beleid, maar
tevens op het functioneren van het regeringssysteem als zodanig. In de zuidelijke
Nederlanden bundelden de liberalen en de katholieken hun verzet en riepen om vrijheid van
drukpers en onderwijs. Daar de toestand gevaarlijk werd maakte Willem I een reis door de
Zuidelijke Nederlanden. Hij werd allerwege toegejuicht. De critiek van de bevolking richtte
zich vooral op de ministers en in het bijzonder op minister Van Maanen. Men is niet uit op
een scheiding. De oppositie riep vooral om liberalisering van het politieke bestel en sloot
in feite aan bij de ontwikkelingen in andere Europese landen.
Willem I zette zich in voor een samenhangend economisch beleid: verbetering van de infra-
structuur, de land- en waterwegen. In 1822 werd de Algemene Nederlandse Handel
Maatschappij en het Industriefonds met besteding hieraan van ’s Konings eigen gelden
opgericht.
Ter bestrijding van de armoede richtte de regering in 1818 de Maatschappij van
Weldadigheid op. Deze maatschappij liet stedelijke paupers woeste gronden ontginnen
en schoolde hen om tot veldarbeiders of kleine boeren.
Dit economische beleid was succesvol en natievormend door de ontwikkeling van de
infrastructuur, de industrie in het Zuiden, de uitbreiding van de handelsactiviteiten in
het Noorden en de exploitatie van koloniale rijkdommen in Indië.
Het noordelijk bestuursmodel werd toegepast in het zuiden. Kossmann betoogde, dat
Het zuiden tevreden was met de Grondwet van 1815.
De taalpolitiek: hoewel een deel van het zuiden en een deel van de elite Frans zich van de
Franse taal bediende, vaardigde Willem I in 1819 een taalbesluit uit, waardoor hij in Limburg
en in de Vlaamse provincies vanaf 1823 het Nederlands als officiële voertaal invoerde.
De Waalse provincies mochten nog wel tweetalig blijven. Dit taalbesluit had nadelige
gevolgen voor de in het Frans geschoolde juristen en voor een aantal Frans sprekende
ambtenaren. Deze werden zoveel mogelijk overgeplaatst. Vele juristen verzetten zich
tegen dit besluit.
Belangrijkste oorzaken voor het mislukken van het Verenigd Koninkrijk:
- Ethnosymbolisten: oude wortels, solidariteit, ethnische band. Beide volken waren al gedurende meer dan twee eeuwen gescheiden.
De samenvoeging was meer gebaseerd op het herstellen van het evenwicht op machtspolitiek terrein in Europa dan op het herstellen van een oude bestuurlijke eenheid uit de tijd van Karel V. Daarnaast lukte het Willem I niet om de bestaande machtsposities van de maatschappelijke elites te doorbreken en te vervangen door een streven naar een nationaal belang. De katholieke clerus in het zuiden bleef vasthouden aan oude rechten en de elite in het noorden trachtte het eigen belang te handhaven boven het nationale belang.
- De persoonlijkheid van Willem I. Hij trad solistisch en autocratisch op.
- Het ontbrak aan een draagvlak bij de adviseurs van de koning, de elite en de onderdanen.
- Het ontbrak aan enthousiasme vooral bij de kapitaalkrachtigen in het noorden en aan de wil om de schouders te zetten onder de economische ontwikkeling om aldus de welvaart en eensgezindheid te bevorderen.
- De clerus hield vast aan oude privileges.
- Willem I onderschatte de invloed van het liberalisme
- Willem I ging te vaak voorbij aan de belangen van het zuiden. Het zuiden diende zich voortdurend aan te passen aan de politiek van het noorden.
- Een politiek-bestuurlijk centrum ontbrak
- De veranderende politieke situatie in Europa
- Het ontbreken van een hechte, gemeenschappelijke ethnische achtergrond.
Hans van Sprang:
Willem I streefde naar een nationale kerk. Dit was een naïve wensdroom, daar hij geen rekening hield met het uiteenlopende verleden van beide landen.
Vraag: welke rol speelde de kerkpolitiek in de mislukking van de unificatiepolitiek?
Subvraag: welke rol speelde het nationalisme bij de staats-en natievorming en hoe verhield zich dat tot de religieuze component?
Subvraag: welke rol speelde de kerkpolitiek in het unificatiebeleid?
Nationalisme en religie hadden tegengestelde pretenties. De overeenkomst tussen beide was de samenbindende functie.
Het samenbindende nationalisme werd uiteindelijk als opvolger van de religie gezien.
Industrie en urbanisatie leidden tot verlies van de maatschappelijke en familiaire banden en tot secularisatie.
De elite was van oordeel, dat er een onderlinge binding nodig was.
Gepaard aan de toename van het nationalisme was er sprake van zuilenvorming.
Voor de rooms-katholiek speelde de loyaliteitskwestie: loyaliteit ten opzichte van de paus en die ten opzichte van de natie. In de practijk viel dit overigens reuze mee.
In 1815 was de situatie aldus:
In het noorden was de gereformeerde kerk bevoorrecht
In het zuiden de rooms-katholieke kerk
Vanaf 1795 heerste er vrijheid van godsdienst in beide landen.
Beleidsuitgangspunten van Willem I:
- De kerk is een onderdeel van de Staat, die de natievorming ondersteunt
- De nationale kerk staat onder leiding van het staatshoofd.
- De staat neemt de traditionele taken van de kerk op zich zoals onderwijs en armenzorg
- De remmende invloed van de geestelijkheid op de maatschappij dient te worden teruggedrongen.
Uitvoerende maatregelen:
- Het Lager onderwijs kwam in 1821 onder staatstoezicht.
- Het Middelbaar onderwijs eveneens.
- De kleinseminaries werden gesloten
- Er werd een Collegium Philosophicum opgericht
- Er werd een concordaat met paus Leo XII gesloten
- Er werd een nieuw kerkelijke organisatie in het leven geroepen.
Conflictstof:
1. Vrijheid van godsdienst
2. Het Middelbaar onderwijs als staatstaak
3. De regelgeving aangaande de kerkelijke organisatie
Ad 1. Men eiste vrijheid van godsdienst, onderwijs, vergadering, meningsuiting etc.
Ad 2. De elite verzette zich. Zij wilde de vorming in eigen hand houden
Ad 3. Hier was geen enkel compromis te bereiken.
Volgens de historici had de kerkpolitiek van de koning kunnen slagen, maar de wijze van uitvoering stond hieraan in de weg. De oprichting van het Collegium Philosophicum veroorzaakte wantrouwen.
De unificatie kwam te vroeg ten aanzien van de twee landsdelen, die soms totaal verschillende ontwikkelingen hadden doorgemaakt.
Slot:
Er was sprake van een strijdtoneel van ideologieën: conservatisme, rationalisme, liberalisme en romantiek.
9. Namens het bestuur van Utile Dulci wens ik alle leden, ieder voor zich, een gelukkig en vooral gezond komend jaar.
Paul Wessing
Secretaris h.t.