Doorwerken in de pauze of de kunst van motiveren

Aan de scheiding tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie moet een einde komen. Talloze wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat dit begrippenpaar maar in zeer beschei- den vorm tot leven gewekt kan worden. Beter is om de energie te richten op de opbrengsten van interne danwel externe 'prikkels'. Motivatie koppelen aan beter onderzoekbare en prak- tisch toepasbare begrippen. Vaarwel aan Maslow, McGregor en Herzberg.

Vinke maakt in zijn proefschrift Motivatie van belonen; de mythe van intrinsieke motivatie schoon schip met theorieën rond de motivatie van medewerkers. Dit begint al met de vraag wat motivatie eigenlijk is. Opvallend daarbij is dat motivatie altijd associatief verbonden wordt met, veelal eveneens, ongrijpbare omschrijvingen. "Doos van Pandora", "de diepe roerselen van de mens" en "aandrift" zijn daar voorbeelden van. De verschillende theoretische benaderingen van motivatie zeggen volgens de auteur meer over de benadering dan het begrip zelf. Vinke zelf neemt als uitgangspunt een onderscheid in een theoretisch concept van motivatie (het proces en het geheel van factoren en aandriften waardoor het gedrag richting krijgt en behoudt) en een praktisch concept (het faciliteren en beïnvloeden van het gedrag van een persoon waardoor gewaardeerde doelen worden gerealiseerd).

Vervolgens begint een bondige, maar zeer complete tocht door de vele en ten dele zeer complexe wetenschappelijke onderzoeken. Waar het om gaat is het zoeken naar de samenhang tussen intrinsieke en ex- trinsieke motivatie. De eerste vorm verwijst naar de in de aard van de activiteit (taak of functie) besloten ingrediënten voor tevredenheid en voldoening, de tweede naar buiten het individu gelegen factoren zoals beloning en straf. Opvallend is de overmatige aandacht voor in- trinsieke motivatie als de meer verheven vorm (inwendig en waardevol), terwijl extrinsiek minder essentieel bevonden wordt. In theoretische termen laat het verband tussenbeide zich in drie wetenschappelijke stromingen onderbrengen. De eerste stroming veronderstelt geen relatie. Een extrinsieke beloning toevoegen aan een intrinsiek motiverende taak heeft geen enkel effect. Hooguit is sprake van een additief verband in de 'totale'motivatie. In de Beha- vior Modification theorie wordt een positieve relatie geschetst: dàt gedrag wordt herhaald waarop een beloning volgt. Een bonus voor goede taakverrichting draagt a.h.w. alleen maar bij tot een nog betere motivatie.

De Cognitive Evaluatie Theorie keert de medaille om en stelt dat er een negatief verband is. Een persoon die een taak verricht omdat hij dat belangrijk vindt, zal dat werk minder bevredigend vinden als het financieel beloond wordt. De extrin- siek beloning dooft de intrinsieke motivatie uit. Uit de resultaten van het onderzoek van Vinke blijkt dat geen van de theorieën volledig ondersteund kan worden. Wel is er een be- langrijke aanwijzing voor een relatie tussen contingente beloning (gepercipieërde fit tussen beloning en eigen prestaties) en motivatie. Nog belangijker is echter dat naast het object van onderzoek (intrinsieke motivatie) het meten daarvan bekritiseerd (moet) worden. Het door elkaar halen van betekenissen, het steeds verder en onoverzichtelijk uiteenrafelen van in- vloeden, het soms onmachtig en daarmee onzorgvuldig combineren van gegevens heeft ge- leid tot het verschijnsel dat 'iedereen over intrinsieke motivatie schrijft, maar intussen niemand nog weet wat het nu eigenlijk is'. Vinke illustreert dit aan de hand van doorwerken in de pauze als gedragsmaat voor intrinsieke motivatie. 'Gehoorzaamheid', 'verveling' of 'aardig zijn voor de proefleider' stellen dit onderzoek als zijnde alternatieve verklarings- gronden al snel ter discussie. Het gebruiken van intrinsieke motivatie als label of verklaring voor gedrag leidt niet tot een beter begrip van wat er gebeurt.

Het fungeert veelal als een residu-opvatting: de persoon die in de pauze doorwerkt is intrinsiek gemotiveerd, omdat er geen andere verklaring is. Kritiek is er ook op het metingen tussen beloningen en intrinsieke motivatie. Hoe kun je i.t.t. financiële beloning een verbale beloning vaststellen/toezeggen? En tenslotte het onderzoek naar contingente beloning en motivatie. Welk perspectief wordt daarbij gehanteerd: dat van de beloninggevende of beloningontvangende partij? Deze on- derzoeksconclusies betekenen dat in de praktijk sprake is van een zekere overwaardering van benaderingen en/of het ongenuanceerd overnemen en toepassen van denkbeelden. Hoe dan verder? De auteur pleit voor een beëindiging van de discussie tussen extrinsieke (en vooral) intrinsieke motivatie door ze niet aan verschillende motivaties te koppelen, maar ze te reserveren voor 'prikkels'. Motivatie als een ondeelbaar proces dat gevoed wordt door interne en externe prikkels en waarbij sprake is van interne en externe opbrengsten. Motiva- tie en belonen is geen gemakkelijk boek. Als proefschrift is het vooral een bijdrage aan de fijnmazige en complexe wetenschappelijke discussie rond motivatie.

Maar bedacht moet worden dat veel van de vermeende causale relaties tussen motivatie en belonen toegepast worden in het dagelijks instrumentarium van P&O. Het is alleen daarom al van belang ken- nis te hebben van de onderliggende wetenschappelijke basis van die instrumenten. In tegen- stelling tot vergelijkbare studies vervult het proefschrift echter met glans de rol van een op- lettende voorzitter die de discussie rond intrinsieke motivatie een halt toeroept onder het motto "We dwalen van het onderwerp af".

Rob H.W. Vinke. Motivatie en belonen. De mythe van intrinsieke motivatie. Kluwer Be- drijfswetenschappen. Deventer, 1996. ISBN 90 267 25361.

Print